Gepubliceerd op: donderdag 12 augustus 2021

Delphine Lecompte – Maxime het ambitieuze onweerstaanbare guitige slechts half-corrupte kruideniershulpje

 

Ik raakte bevriend met Maxime in het zesde middelbaar, het laatste jaar in de kunstschool. We waren allebei buitenbeentjes, maar allebei op volstrekt andere wijze. Mijn baldadigheden en buitenissigheden pasten goed in de visie van de kunstschool, maar ik kampte ook met vreetbuien en ik zat soms dronken lino’s te snijden, of het linomesje schoot uit en kwam terecht in de muis van mijn hand. En ik was een kleptomaan. Complexe problematieken, ziekelijk en onaantrekkelijk. Maxime daarentegen was te mooi, te frivool, te charmant, te glad, te geslepen, en te ambitieus voor de kunstschool. Niet ambitieus op artistiek vlak, nee, hij wilde een gewiekste selfmade bedrijfsleider worden. Tot grote hilariteit van sommigen en bot misprijzen van de meesten.

Maxime was geabonneerd op Forbes, en tijdens de middagpauze las hij het vulgaire mercantiele sluwe tijdschrift ostentatief op de sokkel van een kubistisch standbeeld dat Jan van Eyck moest voorstellen. Ik vond Maxime onweerstaanbaar en sprak hem aan. Hij was joviaal en slim en gevat, we babbelden gemakkelijk. Het was zeldzaam voor mij om een gemakkelijke babbel te hebben met een leeftijdsgenoot, of een ander zoogdier. Maxime dweepte met Amerika en ik wilde na de kunstschool Toergenjev leren lezen in zijn moedertaal. Maxime lachte me uit, hij vond de Russen zielig, drankzuchtig, pathetisch, miserabel, oubollig, sentimenteel, en obsoleet. Hij plaagde me met mijn devotie voor alles wat Slavisch was, en ik vond het heerlijk om eindelijk nog eens zo uitgebreid en zo liefdevol geplaagd te worden.
Maxime had een specifieke droom: hij zou in Wichita een succesvol petflessenbedrijf oprichten. ‘Waarom Wichita?’ Wilde ik weten. ‘Omdat het klinkt als heks?’ Maxime haalde zijn schouders op, hij wist het zelf niet zo goed. Ik vroeg niet: ‘Waarom petflessen?’

De eerste maanden hadden Maxime en ik uitsluitend contact tijdens de schooldagen, maar op een dag vroeg hij me om een weekend bij hem te logeren. Hij woonde alleen, dat was dapper en vreemd: een zeventienjarige jongen die zijn plan trekt in een klein appartementje in Blankenberge. Na de lesuren was hij kruideniershulpje in Knokke en zo betaalde hij zijn huur. Zijn moeder was een losbol, maar hij droeg haar op handen en soms gingen ze samen naar een pretpark of een minigolfterrein. Met zijn vader had hij geen contact. De eerste avond in het appartementje van Maxime aten we pindanootjes, luisterden we naar Tupac Shakur (zijn keuze, maar ik ging er verbijsterend genoeg van houden), en knipten we elkaars pony’s. We bedreven de liefde en mijn heup schoot even uit de kom. Het was niet de grote passie, maar het was evenmin een vergissing om toen een halfuurtje te frotten en te schuren. We vielen in slaap en de volgende dag gingen we winkelen. Maxime kocht prachtige merkkleding: suede schoenen, dure jeansbroeken, en een hemd van Armani dat hij nooit zou kunnen dragen in de kunstschool. En nog minder in de kruidenierszaak, alhoewel…

Die avond aten we frieten en bitterballen en dronken we witte wijn die we gekregen hadden van de visboer om de hoek die vaderlijk blij was dat Maxime eindelijk een vriendinnetje had. Ook al zag ik aan de blik van de visboer dat hij Maxime een vlotter, leniger, zonniger, gebruinder, rondborstiger, aantrekkelijker specimen toewenste. Maxime sprak over zijn werk als kruideniershulpje: hij moest boodschappen brengen naar de rijke verveelde notarisvrouwen van Knokke Le Zoute. De vrouwen waren okerachtige dragonders met stola’s en paarlen kettingen die Maxime schaamteloos geld aanboden in ruil voor seks. Maxime ging er gretig op in. Hij vertelde het blozend en meisjesachtig giechelend. Hij beschreef de lichamen en de plooien van de rijke verveelde notarisvrouwen met een hoffelijke mildheid die ik nooit voorheen in een zeventienjarige jongen was tegengekomen. Het ‘gigologeld’ (zo noemde hij het zelf) zette hij opzij voor zijn grote petflessendroom in Wichita. We bleven wakker die nacht, namen drugs, en probeerden om ter vlugst klaar te komen op een foto van Pamela Anderson. Ik won.

De volgende dag keerde ik terug naar Brugge, naar de naargeestige villa van mijn moeder en mijn sombere mompelende stiefvader in Sint Kruis. Ik was smoorverliefd. In mijn kamer op de vloer at ik 400 gram witte chocolade, twee blikken koude tomatensoep, 28 driehoekjes smeerkaas, een pak speculaas, en een kom kipsalade met oude kaas en pompelmoes en walnoten. Ik kotste in de prullenbak en luisterde de rest van de dag naar ‘Martha’ van Tom Waits. Het volgende weekend ging ik opnieuw logeren bij Maxime, en het weekend daarna. En alle volgende weekenden. Soms kwamen er collega’s van Maxime over de vloer, andere kruideniershulpjes. Zij waren, in tegenstelling tot Maxime, door en door corrupt. En nors en korzelig en onnodig kwetsend, cynisch. We bedreven de liefde met z’n allen, maar ik was vaak het vijfde wiel aan de wagen. Omdat ik een meisje was. Maar de vriendschap met Maxime bleef warm en wonderlijk, broederlijk, geestig, stimulerend, bevrijdend. Altijd ongedwongen. Maxime was ook de enige mens bij wie ik normaal kon eten: tegenover hem aan een tafeltje, gezellig, normale texturen (courgettes, aardappelen, koteletten), ontspannen, geen calorieën tellend, geen last van mijn verstikkingsfobie, niets uitspuwend in mijn servet.

Helaas werd Maxime in juli 1998 verliefd op een adembenemende oogverblindende agressieve bezitterige tirannieke kitesurfster met een bespottelijke naam (Aqualien). Ik mocht hem niet meer zien, en even later vertrok Maxime naar Amerika. In de woestijn van Nevada werd hij bijna gewurgd door een televisiepriester en ergens in Michigan kreeg hij een pijpbeurt van een pompbediende die een verre neef was van Brian De Palma. Na zes maanden keerde Maxime terug naar België. Ik studeerde ondertussen Russisch, maar ik was niet gelukkig. Ik had een rare manipulatieve gewelddadige relatie met een Irakese oogarts die drie decennia ouder was maar veel meer uithoudingsvermogen en verbeelding en zwepen had dan ik. Ik was dik en zwaarmoedig geworden, morbide en humorloos, en ik was geobsedeerd geraakt door de Vloerboeners van Malevich. Maar niet op een interessante, niet op een productieve, niet op een vruchtbare manier. Domweg, nonchalant, toevallig, verkrampt was ik het werk tegengekomen in een tijdschrift in de wachtzaal van mijn dermatoloog en ik besloot het werk te vereren omdat ik het toen nodig had om één bepaald kunstwerk te vereren. De schuchtere boertige Vloerboeners.
Maxime belde me op. Hij wilde opnieuw contact, maar ik hield de boot af.

Over de auteur

Delphine Lecompte