Gepubliceerd op: zondag 22 augustus 2021

Delphine Lecompte – Ik ben geen vroom en vraatzuchtig stiertje

 

De voormalige vrachtwagenchauffeur drinkt goedkope blikjes bier en bekijkt een wraakfilm
Hij noemt me verstrooid ‘stiertje’, zes keer na elkaar
De vijfde keer klinkt ‘stiertje’ het mooist, de zesde en laatste keer klinkt het klagerig
Ik bid en eet vanille-ijs, God is de kom en de consistentie en het smelten
God is wit en groen en hapt naar adem, soms is Hij een donderslag bij heldere hemel
Bidden geeft me altijd zin om ijs te eten, en omgekeerd
Ik zou graag een stiertje zijn, een passief stiertje dat geïnteresseerd is
In struiken en in insecten, maar niet in zijn soortgenoten en zeker niet in gevechten
Wanneer het ijs op is en de gebeden verhoord en de bedrukten gewroken
Pijp ik de voormalige vrachtwagenchauffeur met een wanhopige gulzigheid
Nee een gulzige wanhoop die me duizelig maakt en doet verlangen naar mijn sterfbed.

Ik ben ietwat morbide de laatste tijd, het begon op Aswoensdag
Toen raakte ik bevriend met een abnormaal vrolijke en optimistische schuldbemiddelaarster
De vriendschap duurde niet lang, ik had teveel kritiek op haar stillevens van eierschalen
En zij wilde me veranderen, een vroom en vraatzuchtig schepsel van me maken
De voormalige vrachtwagenchauffeur onderzoekt liefelijk mijn vulva
Hij zal me nooit meer ‘stiertje’ noemen, het was een dromerige alcoholische vergissing
En ik zal slechts het zesde klagerige ‘stiertje’ onthouden, de licht verwijtende klank
De schim van een vraagteken, de voormalige vrachtwagenchauffeur zoekt de boon
Graaiend als een dementerende orgeldraaier in een Driekoningentaart
Wat heb je aan de verdorven boon, de waardeloze kroon, de ziekelijke kreet,
De onbevallige kramp, de korte triomf, de doffe nawee, de sluimerende somberte?

Ik kom klaar als een drenkeling op een schilderij en uitgeput val ik in slaap
Ik droom dat ik op een stoomboot word aangevallen door een razende
Lommerdhouder die vuile stola’s en onzedige onderbroeken in mijn longen tracht te proppen
Maar ik word gered door iemand die ik in het echt ken: de incestueuze imker
In het echt zou hij me zeker niet redden
De voormalige vrachtwagenchauffeur maakt me wakker, het is tijd
Ik moet me aankleden en solliciteren in het oogziekenhuis
Poetsen in een oogziekenhuis klinkt horrorachtig, ik kleed me aan
En loop opzettelijk de verkeerde kant uit, de kant van de mannengevangenis
Ik zwaai naar de gevangenen die ik ken en werp kushandjes naar de moordenaars
Die ik wil opvangen eens ze zijn vrijgekomen, ik zal ze overladen met truffels en amuletten en ara’s.

Ik gaf eens een mooie geruite sjaal aan de bedeesde zeepzieder
Het was zijn verjaardag en hij vond het de normaalste zaak van de wereld
Dat ik hem een mooie geruite sjaal gaf, hij maakte spottend een tulband van de sjaal
Maar de tulband viel op de grond en werd een brilslang
Ik dronk toen nog heel veel wijn en alles was kwaadaardig en iedereen kwetste mij
Ik keer terug naar de beschimmelde huurwoning van de voormalige vrachtwagenchauffeur
Hij is veranderd, ik was slechts een uurtje weg maar hij is compleet getransformeerd
Hij is een Viking geworden: bloeddorstig, rechtschapen, innemend, geestig, gulzig, winderig
De Viking sleept me naar de zetel en penetreert me met een neonazistische hamer
Of droom ik nog?

Ik droomde nog, maar nu droom ik niet meer
Het was een nachtmerrie: de stoomboot, het oogziekenhuis, de Viking, de tulband en de brilslang
Eerst de brilslang, nee eerst de stoomboot en de mannengevangenis
Tot slot de Viking en de penetratie met de neonazistische hamer
Ik sta op, naakt als een ladder
De voormalige vrachtwagenchauffeur leest zijn horoscoop: hij mag niet te veel hooi
Op zijn vork nemen, ‘Penetreer me nog een keer,’ smeek ik
‘Penetreer je vroom en vraatzuchtig stiertje, amechtige Viking,’ zijn nu mijn exacte woorden
Het zijn geen hele interessante of verheffende woorden
De voormalige vrachtwagenchauffeur probeert me te penetreren maar de goedkope blikjes bier
En de afgeprijsde zoutrijke witloofrolletjes in hesp hebben zijn erectie voorgoed verpest
Zo ontzettend jammer.

Nu probeer ik een gedicht te schrijven
Een zinloze en vreugdeloze activiteit
Ik verlang naar de zomer, mijn eerste zomer zonder rum en heimwee
Ik zie bijen landen op mijn onderlip, daarna nestelen ze zich op de kinderlijke
Schubben van een opblaaskrokodil, iemand heeft grenadine gemorst op de opblaaskrokodil
Wellicht de klunzige geliefde van mijn moeder, hij is een roodharige madrigalenexpert
Met puitogen die goed werken, hij zal nooit een oogziekenhuis moeten betreden
En ook de gevangenis zal hij weten te vermijden, ondanks het wurgen van een suikerzieke gravin
En twee dagen later het neerschieten van een vereenzaamde taxidermist
Ik aborteer het gedicht.

De voormalige vrachtwagenchauffeur kneedt hardhandig mijn nek
Hij spreekt over zijn jonggestorven broer die hield van wielrennen
En wasknijpers en fretten en Led Zeppelin, dat laatste viel nog te begrijpen
De voormalige vrachtwagenchauffeur had een hekel aan zijn broer
Hij gooide een gevorkte cactus in zijn graf op een nacht maar zijn vader en zus betrapten hem
En verbanden hem voorgoed.

Over de auteur

Delphine Lecompte