Gepubliceerd op: zaterdag 24 juli 2021

KP7: Truus Gerhardt

 

Gekweld voorjaar

 

Hel zwerft het rode lachen van de specht van stam
tot stam. Nu stuwt de aarde: in purperen pijnen kronkelt
zich ’t krampend vruchthout, dat van knoppen fonkelt.
De wierookblauwe akker walmt en ’t eerste lam

zwoegt onder de elzen, ’t vers geworpen jong,
dat, met het blinde bekje hulpeloos geheven,
erbarmelijk in zijn natte naaktheid ligt te beven
en ’t onbestemde aftast met klagelijke tong.

Beklemmend dampt het uit de broeise voren:
de paarden zwijmen in het zuchtend zeel;
en snikkend laat, uit overkropte keel,
de duif in ’t koortsend hout zijn kranke lokroep horen.

(Uit de bundel: Laagland, 1937)

 

Truus Gerhardt (1899 – 1960) is de eersteling in het streng gereformeerde gezin Gerhardt. Ze is leergierig, doorloopt het gymnasium, is als meisje aantrekkelijk en verlooft zich – ze zit dan nog op het gymnasium – in 1916 met Sydney van den Bergh die een klas hoger zit en telg is uit een rijke ondernemersfamilie. Ze trouwt in 1920 met hem en samen krijgen twee zoons. Later zou ze over haar innige verbondenheid met beide jongens liefdevol schrijven:

Wij waren als drie rozen aan één tak,
drie rozen door één bolster vast verbonden.

Eind jaren ’20 – ze is inmiddels gescheiden van Sydney en in 1929 hertrouwd met de kunstenaar Leonard Niehorster – ontluikt haar dichterschap. Bij de toenmalige literaire beaumonde oogst ze veel bijval als in 1934 haar eerste dichtbundel De Engel met de wegwijzer verschijnt. Ruim daarvóór heeft Dirk Coster, redacteur van het literaire tijdschrift de Stem (1921-9141) haar naar aanleiding van eerder, ingezonden gedichten “een zeer levend talent” genoemd.
Truus Gerhardt_klein
En tòch, tòch is zij altijd de zes jaar oudere zus van Ida gebleven, die haar als dichteres overtroeft, haar de literaire Van der Hoogt-prijs voor de neus lijkt te kapen en haar leven lang gelauwerd wordt om haar klassiek geschraagde gedichten. Voor de oudste telg uit het gezin Gerhardt is in dat opzicht slechts een bijrol weggelegd. Alle literaire aandacht gaat uit naar Ida. De vraag is of haar dat kwelt?
Daarover lopen de meningen uiteen. Wat haar in ieder geval grieft, is de vileine kritiek die Ida’s levensgezellin, Marie van der Zeyde, in het tijdschrift Tijd en Taak over haar schrijft naar aanleiding van haar tweede, in 1937 verschenen dichtbundel Laagland. Dat Ida de recensie niet heeft willen tegenhouden, raakt Truus echter nog het meest. Het verkoelt de verstandhouding tussen beide zussen. Truus heeft haar zusje altijd bijgestaan als zij thuis in conflict raakt met haar ouders. Nog weer later helpt ze Ida als die tijdens en ná haar studie financieel op zwart zaad zit.

Vader en moeder Gerhardt zijn gezegend met drie dochters. Naast Truus (1899 – 1960) en Ida (1905 – 1997) is er nog een derde dochter, Mia (1918 -1988), een nakomertje. Een jongetje dat kort na Truus wordt geboren, sterft op de dag van zijn geboorte. De drie zussen kunnen heel goed leren. En ofschoon dat in die tijd voor intelligente meisjes niet in de lijn der verwachting ligt, gaan ze alle drie naar het gymnasium. Na het behalen van het einddiploma aan het Rotterdamse Erasmus gaat Ida klassieke talen en Mia Franse taal- en letterkunde studeren. Beiden promoveren waarna Ida kiest voor het dichterschap en Mia voor de wetenschap om vervolgens hoogleraar te worden. Mia leidt verder een teruggetrokken leven, schuwt de publiciteit en trouwt op latere leeftijd. Truus daarentegen kiest al jong voor het huwelijk en het moederschap zodra ze van het gymnasium afkomt. Daarbij staat ze in die tijd haar moeder bij die kampt met mentale inzinkingen en zwanger is van Mia.

Wat de dochters behalve hun klassieke vorming bindt, is dat zij een verre van aangename jeugd hebben. Hun moeder leeft naar de wetten van een streng Zeeuws boerencalvinisme dat de meisjes in vrijheid en ontwikkeling ernstig beknot. Bovendien een zenuwzieke moeder die later wordt opgenomen in een psychiatrische kliniek. Een moeder die niet alleen haar dochters – naar de maatstaven van nu – in affectief opzicht verwaarloost, maar ook een moeder naar wier genegenheid de zussen tevergeefs dingen. Met name Ida voelt zich miskend en ten opzichte van Truus achtergesteld. Dat laat onverlet dat Truus zich eveneens misdeeld voelt in haar moeders aandacht en zorg. Zij maakt daarvan met bitterheid in correspondentie en gedichten gewag. Het achtervolgt haar en tekent haar leven. In haar postuum uitgegeven dichtbundel Nagelaten gedichten doet ze daarover meermalen op wrange wijze beklag. Onderstaande woorden zeggen genoeg:

Zoudt gij mij nog herkennen als ik kwam…?
Moeder, ik ben naar lijf en ziel geschonden:
als een melaatse, overdekt met wonden,
die bedelend omgaat voor een boterham,
zo dwaal ik in gedachten om het huis,
hunkrend en schuw (…)
Moeder, ik ben tot stervens toe gehavend,
’k weet dat gij wachtend uitziet iedren avond:
Zoudt gij mij nog herkennen… als ik kwam?

Maar nu het gedicht:
Hoewel de poëzie van Truus qua taalgebruik in de ogen van menig literator thans als overdadig wordt ervaren, dan wel getuigt van een mindere kwaliteit dan die van Ida, blijft er genoeg aan lezenswaardigheid en bewondering over. Dat kan een versregel, strofe of gedicht zijn, waaraan de lezer zich in mijmering en verbeelding kan overgeven. Dat geldt stellig voor het uitgekozen gedicht ‘Gekweld voorjaar’ uit haar door literaire grootheden als Menno ten Braak en Antonie Donker positief beoordeelde dichtbundel Laagland. Een lentegedicht, maar geheel anders van inhoud en toon dan wij doorgaans van voorjaarsgedichten gewend zijn.
‘Gekweld voorjaar’ is een gelaagd gedicht. Aan de oppervlakte herkennen we een onvervalst, puur natuurgedicht, één van hogere orde. In zekere zin ook een revers vers omdat het de andere kant, de veelal onzichtbare, donkere en pijnlijke keerzijde laat zien van wat gewoonlijk als blijmakende ontluiking van nieuw leven wordt begroet. Want wat moeten dier en plant zich in ‘Gekweld voorjaar’ moeite getroosten voor het zover is. Want zie(t) hoe de aarde stuwt, hoe ‘t krampend vruchthout in pijnen kronkelt en ’t vers geworpen jong zwoegt. Haar poëzie is vooral fysiek voel- en tastbaar.
Ook in andere gedichten komt die omkeerbaarheid steeds terug zoals in De polder:

Uit het weerbarstig water moeizaam opgewrongen,
door een verbeten wil tot aardklomp saamgeklauwd,
ligt in de ranke omraming van ’t rechthoekig hout
de polder …

In overdrachtelijke zin is het gedicht ook te duiden als een poëticaal vers. We zien het resultaat, de vrucht ervan gedrukt op maagdelijk papier maar weten niets of weinig van de weg ernaar toe. Onderhuids merken we niets van het zwoegen van de dichteres die zoekt naar het juiste woord, een passend rijm of kloppend metrum. Het gedicht is bovendien een poëtisch vers. Kwistig wordt gestrooid met stijlfiguren, rijmen en metra. Opvallend zijn de hypallages zoals in ‘klagelijke tong’ en ‘zuchtend zeel’. Ja, zelfs levenloze dingen komen in de poëzie van Truus Gerhardt tot leven.
Ook het gebruik van synesthesieën zoals het ‘rode lachen’ (zicht en gehoor) en ‘purperen pijnen’ ( zicht en gevoel) springen in het oog. Met deze traditionele stijlmiddelen slaagt de dichteres erin de barensweeën van de naderende lente nog krachtiger te accentueren. Enerzijds opzwepende antimetrieën zoals ‘hel’ in v1, ‘nu’ in v2 en ‘zwoegt’ in v5, èn anderzijds de harde, palatale assonanties en rollende (plof)consonanten die aan de heftige barensweeën nog eens extra bijdragen.
In de laatste strofe raken paarden beneveld, in opgewonden staat, trekken tevergeefs aan hun ‘zeel’ en willen naar buiten. Het is alsof de zwoelte van een drukkende en broeiende lente de natuur opzweept tot een niet-aflatende levensdrift waardoor het gedicht ook een zekere oerkracht uitstraalt. En wellicht zijn die versregels in dat opzicht tevens een metafoor voor het beklemmende leven waaraan de dichteres zich met pijn heeft kunnen ontworstelen maar waaruit ze zich nooit helemaal heeft kunnen bevrijden.

Truus sterft op 60-jarige leeftijd ten gevolge van een lang slepende darmziekte. Ze is dan inmiddels voor de tweede keer gescheiden en heeft vruchtloze relaties met onder meer Martinus Nijhoff en Pieter Geyl van wie zij ooit op het gymnasium geschiedenis kreeg. Daarna wordt het stil rondom Truus en lijkt haar relatie met Ida gedoemd tot kilte. En toch – als we aandachtig luisterend lezen – horen we zowel in de poëzie van Ida als in die van Truus hoe ‘snikkend, uit overkropte keel, de duif in ’t koortsend hout zijn kranke lokroep [laat] horen’. Want één ding is zeker: ingetogen en discreet klinkt ook in de poëzie van Ida op gepaste momenten haar roep naar Truus zoals onderstaande na haar dood geschreven warme maar nooit uitgesproken woorden:

Hier, aan het water, durf ik denken aan uw dood.
Ik kon niet om u schreien: onze liefde is stom
wanneer wij zijn geboren uit één moederschoot.
Gij zoudt begrijpen wat mijn hete tranen ontsloot:
de boerse groet, u zózeer lief: ‘de wind is om.’

Om met de treffende woorden van Rudi van der Paardt te eindigen: de twee zusters Gerhardt waren elkander nabij en toch zo ver.
Wie meer weten wil over deze bijzondere vrouw en haar familie, raadplege onderstaande literatuur:

Mieke van den Berg, ‘Geboren uit één moederschoot. Zusters die dichters worden’, Schriftuur 4 (2009) voorjaar, 27-41

Mieke van den Berg en Dirk Idzinga, De sluier weggevallen. Truus Gerhardt: biografie en verzamelde gedichten (Den Haag 2010)

 

In verband met de zomervakantie zal er in de maand augustus geen KP verschijnen. In september pakken we de draad weer op.

 

Over de auteur