Gepubliceerd op: dinsdag 6 juli 2021

EI 276: Hans Claus – de gedetineerde en ik

 

elke dag ontmoeten wij elkaar
jij die hier woont
ik die hier werk
aan de overzijde van een nabij
of van een ver verleden
aan de zijlijn van het nu
wij spelen onze rol
met wisselende overgave
in tastend ongemak
jij aan de schaduwzijde
van de deur en ik
in het licht, maar
telkens in dat ogenblik

voor de werkdag start
een groet
die alle regels tart

 

Het gedicht beschrijft een ochtendritueel, want elke dag … Het gaat om een ontmoeten tussen iemand die is opgenomen in een penitentiaire instelling, de gedetineerde, en een medewerker, de ik-figuur. Niet duidelijk is of er sprake is van een gevangenis, huis van bewaring of detentiecentrum. Wat we wel weten is dat de één vrij is en de ander in hechtenis zit en beperkt is in zijn bewegingsvrijheid. Het gaat ook niet om zo maar een gedetineerde maar om de gedetineerde. Het betreft een concrete gedetineerde, een mens van vlees en bloed die tegelijkertijd – door het ostentatief gebruik van het bepaalde lidwoord de – exemplarisch is voor alle gedetineerden. Waarschijnlijk gaat het dan toch om een detentiecentrum.

Varianten op de tegenstelling vrij versus onvrij passeren in het gedicht meermalen de revue. De ik -persoon die er werk versus de gedetineerde die er gedwongen ‘woont’; de gedetineerde aan de zijlijn van het nu en de ik – impliciet – midden in het leven van alledag, en dan is er nog de gedetineerde aan de schaduwzijde en de ik-figuur in het licht. Kortom: de ik bevindt zich in een superieure en de gedetineerde in een inferieure positie. Die ongelijkheid schept telkenmale een situatie in tastend ongemak. Want hoe je te gedragen in dergelijke ontmoetingen? Amicaal, informeel of juist afstandelijk of zakelijk? In ieder geval spelen gedetineerde en de ik-figuur hun rol met wisselende overgave. Dat wil zeggen in uiteenlopende stemmingen van toewijding en aandacht.

De ik-persoon voelt donders goed aan dat hij zich in een florissante positie bevindt en als mens volwaardig kan acteren in een leven buiten de penitentiaire instelling. Het geeft hem een ongemakkelijk gevoel. De gedetineerde zit namelijk aan de overzijde. Maar elke nieuwe werkdag herhaalt zich dat korte, confronterende groetmoment, als een bijna heilig ritueel, waarin houding, intonatie, oogopslag en mimiek de inkleuring van de groet bepalen.
Dàt moment tart dan ook alle regels zoals de vigerende omgangsregels in de Vlaamse instelling, waarin de gedetineerde zit. Maar dan wel slechts voor één ogenblik. Een ultra korte spanne slechts waarin niet de voorschriften de omgang met gevangenen bepalen maar waarin uitingen van medemenselijkheid zich door de ‘tralies’ van deze en gene zijde, van licht en donker trachten te wringen.

De lengte van de korte versregels in het gedicht lijkt nog eens te benadrukken hoe snel dat ene ogenblik van ontmoeten is. De scherpe, korte assonanties van de i – en a – vocalen in de laatste zes versregels zijn net staccato’s en lijken een lange nagalm te bewerkstelligen. Het kan niet anders dan dat de wisselende overgave in de rol die beiden spelen – vóór de start van een nieuwe werkdag – een doorsudderende impact heeft op het gemoed van de gedetineerde.

Immers, visueel door een witregel gescheiden van de rest van het gedicht lezen we in de laatste strofe de kern waar het in dit gedicht om gaat. Een gemoedsworsteling waarop al in V1 impliciet wordt gepreludeerd, namelijk op het gebruik van het woord ontmoeten. In de alle regels tartende ochtendgroet zit namelijk een bijzondere connotatie van het werkwoord ontmoeten, te weten die van een ‘niet-moeten’. En juist dat blijkt in deze context veel moeilijker te zijn dan moeten. Dat is de dagelijkse worsteling van de ik-figuur.

 

Ik heb u lief tot in de dood
 

Hans Claus

Ik heb u lief tot in de dood

Uitgeverij P

ISBN 9789493138308

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.