Gepubliceerd op: zondag 27 juni 2021

Delphine Lecompte – Het bed van mijn moeder blijft het belangrijkste bed

 

In mijn droom haal ik onkruid weg uit het bed van mijn moeder
Vooral op haar sprei is het veelvuldig aanwezig en moet ik hard plukken
Zelfs in mijn droom weet ik dat de droom pervers is, dat het onkruid het schaamhaar
Van mijn moeder is, ze paradeerde toen ik kind was graag naakt door het huis
Haar gigantische borsten dwongen de mijne om klein te blijven
We wonen in Rusland in de droom, niemand is zeer behulpzaam
Iedereen heeft astma en spleen, mijn moeder is een architect in mijn droom
De maan lijkt op een misselijke koster, er is een onafgewerkte pier
Maar als ik loop verschijnen nieuwe stukken, nieuwe planken: ik ben de voltooiing
Ik word op de hielen gezeten door een fascistische dwerg die geen afgewerkte pier kan verdragen,
Die me in mootjes wil hakken, dat roept hij tegen mijn rug en ik geloof hem.

Ik word wakker in het paleis van de oude kruisboogschutter
Maar ik ben Rapunzel niet, ik sta op en eet rijstpap in de kleine keuken
Ik wil geen gedichten schrijven vandaag en morgen, ik wil foto’s nemen van mistroostige visboeren,
Vinnige scheepsherstellers, smedige touwslagers, formidabele zadelmakers,
Naargeestige leerlooiers, antipathieke messenslijpers, en profetische glasblazers
Maar ik blijf verweesd en verdwaasd zitten in de kleine keuken met het lege potje rijstpap
En het lepeltje op de tafel, ik probeer het lepeltje te verplaatsen naar de rand van de tafel
Met mijn telekinetische gave, het lepeltje valt en het klinkt verrukkelijk
Als een schorpioen verwikkeld in een gevecht met de pantoffel van een gokverslaafde B-acteur
In een schattige woestijn, de pantoffel is versleten en de schorpioen is middernachtblauw
Ik raap het lepeltje op en probeer mezelf blind te maken met de steel.

De oude kruisboogschutter betreedt de keuken en kan net op tijd
Mijn blindheid voorkomen, ik ga naar buiten en neem foto’s van:
Een venijnboom, een verslagen onderwaterlasser, een schaapachtige astronaut,
Een kindermoordenaar met een boodschappenmand vol goudvisvoederbusjes,
Een gesluikstorte carrouselpelikaan met graffitipenissen en graffitikloten op zijn borst,
Een verleidelijke trompet op de drempel van een gesloten bruidswinkel,
Een gepensioneerde stierenvechter die op het punt staat te struikelen over een afgebrokkelde,
Waterspuwer, een simpele degenslikker, een eenvoudig wafelijzer, een zware reisbrochure
Waarin een imbeciele vogelwichelaar gebraakt heeft op de bakermat van de sneeuwpret
En de civetkatmishandeling, en uiteindelijk neem ik ook een foto van de bedeesde zeepzieder
Ik kan het niet laten, hij staat daar zo peinzend op de dijk met een knullige origamihyena
En een rode roos die niet echt is maar een liedje afspeelt als je in de stengel knijpt.

Maar de bedeesde zeepzieder knijpt niet in de stengel
En dus zal ik nooit weten welk liedje in de roos verborgen zit
Hij verfrommelt de knullige origamihyena en gooit de papierbol naar het hoofd
Van de mystieke chrysantenkweker, hij haat de mystieke chrysantenkweker
Omdat de mystieke chrysantenkweker zich heiliger voordoet dan de paus
Maar wel elke nacht talloze Ierse mandenweefsters sart met kapstokken en loze beloften
De schedel van de mystieke chrysantenkweker heeft de papierbol niet geregistreerd
Ik benader de bedeesde zeepzieder behoedzaam en streel vluchtig en verlegen zijn handrug
Hij glimlacht zacht en broederlijk, ik trakteer hem op een suikerspin
Terwijl hij het roze kluwen wegwerkt zorg ik voor de rode roos.

Ik knijp, natuurlijk kan ik het niet laten om te knijpen
Het liedje is Here I Go Again van Whitesnake, hemeltergend melig
En bloedstollend mooi, vooral dat laatste
De bedeesde zeepzieder zegt: ‘Ik haat de mystieke chrysantenkweker
Sinds ik hem in een weide heb betrapt op de volstrekt onnodige foltering
Van twee kalfjes, hij gebruikte afgekeurde lasapparaten en een rammelende lookpers.
Het was 1 april, alsof alles dan is toegestaan. Diezelfde dag heb ik voor het eerst
Een katholieke volleybalspeler gepenetreerd. Het genot was middelmatig.’
Ik geef de rode roos terug aan de bedeesde zeepzieder, het begint te regenen
En we wenen, ik zonder reden, de bedeesde zeepzieder daarentegen heeft familieleden
Die op sterven liggen, een stuk of twintig en hij staat machteloos.

Hij staat machteloos naast hun bedden en hij staart vreemd opgewonden
Naar de minuscule luchtbelletjes op hun blauwe lippen
Ik keer vrijwillig terug naar het paleis van de oude kruisboogschutter
In zekere zin ben ik Repelsteeltje en Goudlokje ineen
De oude kruisboogschutter is zijn oksels aan het wassen in de woonkamer
Met een versleten washandje en een institutionele teil
Het is een deprimerend zicht, ik wist niets eens dat hij oksels had
En dat ze diep genoeg waren om bloeddiamanten en echtscheidingspapieren
In weg te moffelen, de diamanten vallen en klinken akelig als een walgelijke beiaardier
Die naast de zwarte jeep van de incestueuze imker een zieltogende lama imiteert.

Zieltogend of het leven schenkend aan nieuwe lama’s
Ik raap de diamanten op en breng ze naar de voormalige vrachtwagenchauffeur
In zijn ogen zijn de diamanten toxische karbonkels
Hij breekt mijn kaak en hij heeft gelijk
De avond valt en de voormalige vrachtwagenchauffeur eet kwaad plakjes cheddarkaas
Op rozijnenbrood, hij is kwaad omdat ik dreinende schrijnende geluiden maak
De maan wil eruitzien als de vuile luier van een over het paard getilde ontdekkingsreiziger
En ze slaagt.

Over de auteur

Delphine Lecompte