Gepubliceerd op: donderdag 10 juni 2021

Delphine Lecompte – Een kind vermoorden

 

De beste vriendin van mijn moeder was een wilde gebruinde valse frivole gemene feestelijke sierlijke zigeunerachtige vrouw met een slordige jeugdherberg en een rare naam: Tanaquil. Het klonk als een demon, als de vrouw van Dracula. Ze had twee kinderen met normale namen: Benjamin en Charlotte.
De kinderen waren net als hun moeder sierlijk en gebruind, maar ze waren niet wild, eerder in zichzelf gekeerd, angstig, stamelend, aarzelend, schutterig, onbeholpen, kwetsbaar, introvert.

Vooral Charlotte die door haar moeder werd gehaat omdat de vader van Charlotte was weggelopen naar Vermont met een Ierse tapijtenweefster. Benjamin was het zesjarige godenkind, de aanbeden Ganymedes. Hij was het kind van Tanaquil en van haar nieuwe man Gregory. Gregory gedroeg zich altijd vaderlijk en koesterend en aardig en behulpzaam en eerlijk en genereus ten opzichte van Charlotte, tot grote ergernis van Tanaquil. Benjamin wist dat hij vereerd en vooruitgestoken werd, en hij gedroeg zich naarmate de jaren verstreken almaar vaker als een verwend hooghartig ettertje en hij weigerde zijn speelgoed te delen met Charlotte. Benjamin had een grote kamer vol videospelletjes en stereoketens en pluchen rupsen en flitsende racewagens die stoïcijnse superhelden konden worden en kostbare cowboys en Indianen en een poppenkast met talloze kolderieke personages en talloze fopartikelen en stripverhalen. Charlotte moest zich tevredenstellen met een klein donker zolderkamertje, met als enige ornament een versleten lappenzeehond op een afgebladderd nachtkastje, als enige bezitting een cd van The Cure (geen toestel om de cd af te spelen), en met één poster van een getekende maan waarover een muis op een driewieler fietst boven haar bed.

Gregory gaf eens een kat aan Charlotte. Charlotte was verzot op de kat en legde de kat in de watten.
Tanaquil had een hartsgrondige hekel aan de kat en weigerde eten voor de kat te kopen, dus kochten mijn moeder en ik kattenbrokjes. Stiekem, want ook wij hadden schrik van de legendarische toorn van Tanaquil. De kat mocht de kamer van Charlotte niet verlaten en mocht geen geluiden produceren. Gelukkig had mijn moeder ook een geluidloos egeltje met veertjes gekocht zodat de kat zich toch een klein beetje kon uitleven. De slimme kat hield zich aan de wrede onredelijke tirannieke regels van Tanaquil en ze werd de schaduw van Charlotte, spinde subtiel en beheerst onder de dekens en gaf zachte kopjes aan de geschramde knieën en schenen van Charlotte. Tanaquil bracht de kat na drie maanden naar het asiel: ‘neurotisch, destructief, antipathiek, en onhandelbaar’ was het verdict. Gregory was kwaad toen, ik was erbij toen ze ruziemaakten aan het ontbijt. Zijn penis floepte uit zijn kamerjas maar hij had niets door en ik gaf mijn ogen de kost.

Charlotte was zeven maanden ouder dan ik, bijna een volledig jaar dus, en ik keek naar haar op. Ze speelde toneel en met mijn moeder ging ik naar al haar toneelvoorstellingen. Ze had steeds interessante, essentiële, gekwelde rollen, verschoppelingen. In het zwart gekleed speelde ze achtereenvolgens: een weeskind, een lucifermeisje, een verdwaald vossenjong, een schattige klunzige tovenaarsleerling, Klein Duimpje, een charmante terrorist, een homoseksuele wasserette-eigenaar, een trol die per ongeluk zijn vrouw had opgegeten, en een verstoten vogeltje. Tanaquil baatte die slordige jeugdherberg uit en had bijgevolg zelden tijd om naar de toneelvoorstellingen van Charlotte te gaan, behalve wanneer de regisseur belangrijk was. Dan stormde ze de zaal in terwijl de voorstelling al aan de gang was en achteraf dronk ze kriekenbier en flirtte ze schaamteloos met de belangrijke regisseur die zich de aandacht liet welgevallen, want het aura dat rond Tanaquil hing was magnetisch en dierlijk en bedwelmend. Iedereen raakte betoverd, of gemanipuleerd.

Toen Benjamin van Tanaquil een dure Perzische kat kreeg en die kat overal in huis mocht rondlopen en mocht springen op de tafel en zalm en smeerkaas kreeg en niet verdween na drie maanden was de maat vol. Ik was degene die het idee eerst opperde: we zouden Benjamin vermoorden zodat Tanaquil wel moest houden van haar enige overgebleven kind. We zouden Tanaquil dwingen om Charlotte te beminnen. Eindelijk moederliefde voor Charlotte! Bovendien zou al het speelgoed van Benjamin na zijn dood naar Charlotte gaan. We wilden Benjamin niet bloederig en gewelddadig om het leven brengen, het was immers zijn schuld niet dat hij voorgetrokken werd. Daarom besloten we om pillen te gebruiken die we dan in zijn keelgat zouden proppen. Gregory had een ingewikkelde hartziekte en een chronische pancreasaandoening, hij had een arsenaal aan medicatie. De pillen zaten allemaal weggestopt in de oude beauty case van wijlen zijn Filipijnse meter, een ijdele bijgelovige vrouw die als klein meisje toeristen in de val had gelokt met pingpongballen en oranje zijde in de vieze bar van haar pooier. Vreemd dat Gregory een Filipijnse meter had met een dergelijk naargeestig sinister burlesk verleden, want zijn ouders waren simpele kaasmakers uit de Westhoek. Soit.

Op een dag drongen Charlotte en ik de slaapkamer van Tanaquil en Gregory binnen en we stalen de beauty case en braken zonder grote moeite het slot. We verzamelden zo veel mogelijk pillen in onze handen en broekzakken. We namen enkel de felst gekleurde pillen want die waren wellicht het meest toxisch en het snelst werkend, althans dat hoopten we. Ik duwde de kamerdeur van Benjamin open, wees naar al het speelgoed en zei tegen Charlotte: ‘Vanavond is dit allemaal van jou!’
Benjamin was in de gang pissebedden aan het temmen in een schoenendoos. We dreven hem in het nauw en propten zo veel mogelijk pillen in zijn mond. Maar hij spuwde de half opgeloste pillen uit op de vloer en begon te krijsen. Tanaquil was niet thuis die dag maar Gregory wel, en hij was woedend. De woede maakte zijn wangen wit en zelfs zijn lippen werd bleker en kleiner. Ik moest het huis verlaten en ik mocht nooit meer terugkeren. Hij zei bars: ‘Nooit meer Charlotte!’ Zijn kwaadheid was zo erg dat hij een werkwoord vergat te gebruiken. Nooit meer Charlotte, het zou nog lang door mijn hoofd blijven spoken. Ontgoocheld en gekwetst ging ik weg. Ik dacht dat moord veel simpeler was.

Jaren later zag ik Charlotte op de grond zitten in een bushokje met een groepje hippe pubers. Ze rookten wiet en iedereen hing aan de lippen van Charlotte. Zij was de leidster van het groepje, zoveel was duidelijk. Charlotte droeg een T-shirt van Jimi Hendrix, en haar prachtige gebruinde voeten droegen dunne sandalen die haar lange sensuele tenen in de verf zetten. Ze deed alsof ze me niet kende. Wat klopte, ze kende me niet meer. Ik was verlegen en vaag geworden. Ik zat slecht in mijn vel en niemand wilde naast mij zitten in de bus, behalve de pedofiele paardengokker.
Had Charlotte me die dag gevraagd om haar broer alsnog te vermoorden, om een tweede poging te ondernemen, dan had ik het niet meer gedurfd.

Over de auteur

Delphine Lecompte