Gepubliceerd op: donderdag 6 mei 2021

Delphine Lecompte – Terrorisme

 

Toen ik tien jaar was richtte ik samen met mijn toenmalige hartsvriend Dimitri een dierenrechtenorganisatie op. Ik kan in alle bescheidenheid zeggen dat ik het brein was achter de organisatie, maar ook de brute kracht. Ik bedacht onze naam (Dierenamnestie), verzon ons logo (een onschuldig zeehondje dat op het punt stond om doodgeknuppeld te worden), en ik maakte wrede harde bloederige tekeningen van het leed dat wij, de abominabele mensen, de prachtige superieure argeloze heilige dieren aandeden: stierengevechten, nertskwekerijen, kamelenritjes, roofvogelshows, het eten van vlees, het dragen van bont, de jacht op de tanden van de olifant, walvissen afslachten, beren en leeuwen gebruiken om drankzuchtige vaders en hun dreinende peuters te vermaken op kermissen en in circustenten, dolfijnen door hoepels dwingen, proeven op muizen en apen, enzovoort…

Ik hing overal in Gent mijn tekeningen aan muren en verkeersborden, maar mijn tekeningen werden nat en er waren ook snoodaards aan het werk die mijn tekeningen systematisch van de muren en borden rukten. Ik zond razende verontwaardigde brieven en woeste schuimbekkende pamfletten naar de directeurs van dierentuinen en pretparken over heel Europa. En ik bond me met touwen vast aan de hekken van een broodfokkerij in Nazareth. Maar ik besefte dat ik verder moest gaan wilde ik echt een verschil maken voor de dieren, ik was nog veel te braaf en te passief. Te afwachtend. Ik vertelde aan Dimitri dat ik van plan was om laboratoriumdieren te bevrijden, wilde hij meedoen? Eerst was hij gewonnen voor mijn plan, gecharmeerd door mijn fanatisme, maar na een nachtje slapen haakte hij alsnog af en hij zei dat hij geen contact meer met me wilde.
Ik stond er alleen voor, geen probleem!

In de buurt van het huis van mijn moeder en mijn sombere mompelende stiefvader was een campus voor chemiestudenten en ik was ervan overtuigd dat daar cavia’s en ratten werden onderworpen aan experimenten met mascara, elektrische schokken, en antipsychotica. Dus brak ik op een nacht binnen in de campus, het was simpel: ik brak de glazen deur met het favoriete Afrikaanse masker van mijn moeder en er ging niet eens een alarm af. De gangen waren koud en beige, en de lokalen stonden vol glazen bokalen en staven en microscopen en bunsenbranders en allerlei materiaal waarvan ik de naam niet wist maar dat ik herkende van de gekke professoren uit de vele stripverhalen die ik verslond.
In de kelder vond ik het inferno: een hele reeks kooien vol… honden!! Het waren Beagles! Ze waren angstig en slaperig en loom en gedrogeerd en ze hadden brandwonden en ze waren getraumatiseerd en het was afschuwelijk, maar ik slaagde erin ze allemaal te bevrijden. Trots en gloedvol liep ik het gebouw uit met de geredde schaapjes. Twee honden waren zo verzwakt dat ik ze moest dragen, de andere honden moest ik constant aanmoedigen om me te volgen: ‘Kom, kom, kom, kom, kom, straks krijgen jullie allemaal dekens en trekspeeltjes en mergpijpjes!’ Het leek wel alsof ze liever in het inferno waren gebleven.

Toen ik het huis van mijn moeder en mijn sombere mompelende stiefvader naderde zag ik twee politieagenten staan. Ik wilde rechtsomkeer maken maar de honden begonnen te blaffen en zo werd ik verraden. De politieagenten grepen me bij de kraag, belden aan de deur, werden binnengelaten door mijn moeder in een paars nachthemdje dat ik een tikkeltje ordinair vond, en de ganse nacht zaten de agenten in de keuken te flirten met mijn moeder die godzijdank een I love Budapest sweater had aangetrokken boven haar ordinaire krappe doorschijnende niet bij haar passende sletterige nachtkledij.
Ik moest in de hoek staan en werd verder genegeerd. De Beagles beten ovenwanten kapot en knaagden aan pepermolens en tafelpoten en sabbelden op tijmzakjes en theemutsen, en ze smikkelden de brokjes van mijn schildpadkat Poesie/Zaffie/Jacqueline op.

Het werd ochtend en ik moest van mijn moeder naar de bakker gaan om boterkoeken te halen voor de politieagenten. Maar ik was hardleers en ik keerde terug naar de campus, ik wist zeker dat er in de kelder nog dieren opgesloten zaten die ik de vorige dag over het hoofd had gezien.
Ik moest niet binnenbreken deze keer want het was een normale schooldag. De studenten keken vreemd geamuseerd naar mij, plaagden mij, tilden mij op, kietelden mij, en gingen uiteindelijk naar hun lessen. Er was inderdaad nog een tweede kelder en die was veel grimmiger: in deze kelder vond ik bassins vol vissen en ontelbare kooien vol knaagdieren met tumoren en oren aan hun rug gestikt, als in een horrorfilm of een surrealistisch schilderij. Bosch!
De vissen moest ik aan hun lot overlaten, de bassins waren te zwaar om te dragen. Maar de kooien van de knaagdieren kon ik gewoon openzetten en de slimme kwieke diertjes stroomden naar buiten. Er klonk gegil in de gangen en er ging wel een alarm af deze keer, snerpend en gemeen. Ik werd in het nauw gedreven door een fascistoïde conciërge en twee lafhartige studenten. De conciërge en de meest lafhartige van de twee lafhartige studenten sleepten me naar huis en nu zat ik echt in de problemen. De dierenposters werden van mijn muren gehaald: ijzig kalm, huiveringwekkend. Het gezicht van mijn moeder was bleek van de ingehouden woede. Ik zei: ‘Vermoord me, ik verdien het.’ Ze zei: ‘Jij moet zwijgen, heel lang zwijgen.’

Mijn dierenencyclopedieën en natuurtijdschriften werden op de vensterbank gelegd voor de arme zigeunerkinderen van de buurt, mijn tekenpotloden en verrekijker werden in beslag genomen, mijn Greenpeace lidmaatschap werd opgezegd, en ik mocht niet mee op klasuitstap naar de kinderboerderij.
Zeven maanden lang werd ik behandeld als een paria. Daarna was ik genezen van mijn dierenterrorisme. Of: het leek mij verstandig en levensnoodzakelijk om mijn dierenterrorisme voorlopig op een lager pitje te zetten. Ik kreeg een jeans van een snobistisch merk en ik mocht naar Ghostbusters met Bart, het zoontje van mijn moeders fietsenmaker en zijn rare racistische vrouw met het kunstbeen. Bart streelde mijn knieën in de cinemazaal, het was aangenaam. De film was geniaal maar ik besefte plots dat niemand me had verteld hoe het was afgelopen met de door mij bevrijde Beagles en knaagdieren, en ik barstte in huilen uit.

Over de auteur

Delphine Lecompte