Gepubliceerd op: donderdag 20 mei 2021

Delphine Lecompte – Met mijn vader en Axelle naar de dierentuin

 

Axelle was de jonge mollige weke weeë guitige ree-achtige vriendin van mijn vader, ze had kuiltjes in haar wangen en fijne bruine krulletjes die roken naar kinderboerderijkonijnen en boenwas. Haar kleine flat was ingericht zoals ik het ook zou hebben gedaan mocht ik als twaalfjarige de kans hebben gekregen om alleen te gaan wonen (wat ik meermaals aan mijn moeder en stiefvader vroeg): kristallen kermiseekhoorns, pluchen beren in houthakkerskleren, een douchegordijn met orka’s en zeepaardjes, een tropisch aquarium, sierkussens met geborduurde aristocratische pointers, wierookparafernalia, grappige Hindoestaanse afgodsbeelden, grote kale trollen in nachthemden, de verwende en arrogante kater Garfield op haar ontbijtservies, kleine ondubbelzinnige cactussen in glazen huisjes, en aan de muren posters van frisse paarden en van Led Zeppelin. Ik vroeg eens aan Axelle: ‘Wat is je lievelingsalbum van Led Zeppelin?’ Ze antwoordde: ‘Ik hou van het liedje Whole Lotta Love. Ja, dat is een mooi liedje.’ Ze viel door de mand. Ze kende zelfs de naam van de drummer niet en wist niet hoe hij om het leven was gekomen, niet dat het zo’n opmerkelijk einde was voor een man in een muziekgroep. Ik was ontgoocheld in Axelle, maar ze was zo zachtmoedig en genereus en ingoed dat ze me uiteindelijk weer voor haar won.

Het was dankzij Axelle dat op bezoek gaan bij mijn vader minder pijnlijk werd. Mijn vader en ik had hadden niets tegen elkaar te vertellen en we waren beiden chronisch verlegen en zwartgallig. Axelle vermaakte ons met anekdotes over haar grillige hilarische onorthodoxe verstrooide collega’s, ze werkte in een kantoorbenodigdhedenwinkel waar je ook stripverhalen en pornotijdschriften kon kopen. Axelle was de populairste werkneemster, ik wist het zeker. Als de anekdotes op waren maakte Axelle amok met de Congolese xylofoon van mijn vader, maar dat kon hij niet lang verdragen.
Ze organiseerde vaak uitstapjes voor ons drieën: het folkloremuseum, het planetarium, een tuin vol stinkende bloemen en vleesetende planten, de musical Hair, Tongeren, de kermis, de beestenmarkt, talrijke rommelmarkten, enkele mistroostige roofvogelshows, en twee immense interactieve wetenschapsbeurzen bestemd voor kinderen (ik werd de eerste keer bijna geëlektrocuteerd, en de tweede keer bijna ontvoerd door een hikkende Zwitserse horlogemaker).

Op een dag zouden we naar de dierentuin van Antwerpen gaan. Ik voelde meteen bij het opstaan dat het een rampzalige dag zou worden. Mijn vader was stugger en chagrijniger dan anders, hij had een kater en ergerde zich aan Axelle die de kaas op haar boterham besmeerde met een dikke laag rabarberconfituur.
Dat vond mijn vader onnodig en decadent: dubbel beleg. Bovendien had Axelle ook al boter gebruikt, dus eigenlijk was het driedubbel beleg. Je reinste verspilling. Ik imiteerde mijn vader en at een roggeboterham met een heel fijn laagje chocopasta van het huismerk van de GB. Mijn vader keek spottend en misprijzend naar mij, hij haatte het wanneer ik krampachtig en doorzichtig pogingen deed om op een goed blaadje bij hem te staan. En ik voelde me een laffe verraadster. Ik stikte bijna in de droge boterham, bijna eigen schuld, dikke bult.
Na het kille vijandige ontbijt namen we de trein vanuit Gent naar Antwerpen. Axelle en ik verwonderden ons over de prachtige haast goddelijke nobele onbereikbare koeien. Waarom werden ze weggezet als ordinair en lomp en banaal? Ze waren bloedstollend mooi en troostend en mysterieus en sierlijk en slim en verrassend filosofisch en inventief en ernstig en moederlijk en ontroerend zorgzaam. We droomden van een parallel pastoraal leven waarin we elke dag heel vroeg zouden opstaan om de mystieke dieren te melken alvorens we aan onze eigen noden zouden denken. Mijn vader ondertussen maakte ruzie met een neonazistische bloemenverkoper die zijn kroost niet onder controle kreeg, of die het niet erg vond dat zijn vijf zoons de andere reizigers lastigvielen met hun helikopters en mondharmonica’s en kleurpotloden.

Uiteindelijk kwamen we aan in Antwerpen. We liepen het station uit en de dierentuin in, op de hielen gezeten door de neonazistische bloemenverkoper en zijn baldadige zoons. Ik wilde enkel de interessantste gevaarlijkste schepselen zien (de leeuwen, de ijsberen, de stierhaaien, de kubuskwallen, en de krokodillen), maar mijn vader had een vreugdeloze moeizame route uitgestippeld die aan alle levende wezens evenveel aandacht zou schenken. Hij was verbeten in zijn missie. We zouden bij elke diersoort even lang stilstaan: twee minuten voor de flamingo’s, twee minuten voor de kamelen, twee minuten voor de zee-egels, twee minuten voor de civetkatten, twee minuten voor de lammergieren, twee minuten voor de vogelspinnen, twee minuten voor de dolfijnen… ‘Alle dieren zijn gelijk,’ beweerde hij.
Axelle rolde met haar ogen, we zaten op dezelfde golflengte: de dieren met exotische kleuren verdienden meer aandacht dan de dieren met de vale kleuren. En de insecten en amfibieën met gif en stekels moesten uiteraard meer vereerd worden dan bijvoorbeeld de brave naarstige schadeloze knaagdieren.
Maar er waren uitzonderingen: de nijlpaarden waren vaal en hadden gif noch stekels, maar waren toch boeiend en aanbiddenswaardig omdat ze bedrieglijk log en levensgevaarlijk snel en alert waren. En de meeste vogels waren gekmakend bont geschilderd, maar ze spraken niet tot onze verbeelding. In hun domme verschrikte ogen zag je de minieme herseninhoud weerspiegeld en je voelde dat hun enige taak eieren leggen en eten was. Geen poëzie.

Toen mijn vader bij de sullige dromedarissen stiekeme teugjes nam van zijn heupfles zetten Axelle en ik het op een lopen. We vluchten het reptielenverblijf binnen en we waren net op tijd voor het onweer in de jungle: om het uur werd er pal boven de krokodillen een indrukwekkend flitsend rommelend onweer gesimuleerd. Tot en met mijn elfde had ik gehuild, maar vandaag vond ik het een fantastisch spektakel. Vooral de lichtflitsen die de onbewogen prehistorische krokodillen nog griezeliger en massiever maakten. Ik wilde zo graag naar beneden springen en de krokodillen beter leren kennen, maar ik wist dat ik verslonden zou worden.
Toen het onweer voorbij was dronken we een vies lauw yoghurtdrankje met aardbeismaak in de kantine.
Axelle werd plots serieus, zorgelijk, somber. Ze zei dat ze helaas niet bij mijn vader kon blijven, dat ze van hem hield en zeker van mij, maar dat hij erg hard en koud en kwetsend was. Agressief ook. En dat hij bovendien al een hele tijd een oogje had op zijn schuldbemiddelaarster.
Ik kende die schuldbemiddelaarster: Mevrouw De Geest, een dorre grijze muis die nooit glimlachte en altijd kritisch keek naar mijn kleurrijke kousen en naar mijn zelf geknipte pony. Het kon toch niet waar zijn! Axelle was vrolijk en dartel en licht, en ze had grote borsten en ze was een spraakwaterval en haar ego was minuscuul en ze gaf geld aan clochards zonder benen maar ook aan valse zwervers (junkies) met benen en ze wilde dat iedereen het gezellig had, ze was een heilige.
Ik huilde bittere tranen.
Toen we de kantine verlieten zag ik de giraffen en ik werd razend. Ik wilde de giraffen straffen, ik nam een stok maar ze deinsden achteruit. Axelle gaf me een aai over mijn bol, kuste mijn kruin en nam de trein naar het gehucht waar ze was opgegroeid. Bij haar ouders zou ze genezen van mijn ascetische veroordelende gierige harteloze vader.

Daar stond hij, nog steeds bij de dromedarissen. Maar zijn heupfles had hij weer opgeborgen. Hij gaf me een klap, zacht omdat hij had gedronken. Hij vroeg niet waar Axelle was.
We namen de trein terug naar Gent. Gelukkig zouden de neonazistische bloemenverkoper en zijn sympathieke schreeuwerige kinderen een latere trein nemen, ze waren nog aan het genieten van de smerige aanstellerige cobra’s en de formidabele raadselachtige hyena’s.

Over de auteur

Delphine Lecompte