Gepubliceerd op: zaterdag 24 april 2021

KP4: Karel van de Woestijne

 

Wijding aan mijn vader

 
o Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart,
en míj liet leven, en me teeder léerde leven
met uw zacht spreken, en uw streelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;

– ik, die thans ben als een die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen gaêrt,

en zingt soms, onverschillig; en zijn zangen glijden
wijd-suizend over ’t matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied….

Zóo vaart mijn leve’ in vrede en waan van dóod begeeren,
tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.

Uit: Het Vader-huis, 1903

 

Carolus Petrus Eduardes Maria (Karel) van de Woestijne wordt in de Vlaamse letteren gerekend tot het symbolisme. Hiertoe behoren tot op zekere hoogte ook de Nederlandse dichters Leopold en Boutens, en de Franse dichters Verlaine, Baudelaire en Gide. Het symbolisme is een internationale beweging die haar heil niet zoekt in de literaire stromingen van die tijd, zoals naturalisme en impressionisme, maar die dat zoekt in de verbeelding, de roes en de droom.
Van de Woestijne, die onder meer hoogleraar letterkunde in Gent was, gebruikt beelden uit de reële, hem omringende wereld om deze te transformeren naar symbolen van zijn innerlijk. De taal is vaak overdadig, ambigue en rijk aan metaforen. Zijn poëzie beoogt een wereld te scheppen waarvan de werkelijke wereld slechts een schaduw is.

Portret van Karel van de Woestijne  door Henri van Straten

Portret van Karel van de Woestijne
door Henri van Straten

Karel is een nogal in zichzelf gekeerde persoonlijkheid met een ontvankelijk gemoed voor zintuiglijke prikkelingen. Zijn hele dichterschap worstelt hij met de spanning tussen geest en lichaam: enerzijds zijn gepassioneerde gemoedstoestand en zinnelijkheid, anderzijds zijn verlangen de geest te laten opstijgen in de hoogste regionen van zuiverheid. Hij lijdt onder het eeuwenoude, katholieke juk: de geest die rouwt om wat het lijf verblijdt.
Hoewel de dichter tweetalig wordt opgevoed, krijgt hij naarmate hij ouder wordt steeds meer belangstelling voor het Vlaams. En dan wordt hij enen echten klauwaard die in de taalstrijd van toen partij kiest voor het Vlaamse volk en zijn pure taal. Hij doet dat met een fierheid en felheid die niet passen bij het beeld van de zachtmoedige, introverte dichter die wij uit zijn poëzie kennen.

 

Zijn eerste bundel Het Vader-huis verschijnt in 1903. De bundel schetst Van de Woestijnes gelukkigste jaren: de zorgeloosheid van zijn kinderjaren, de eerste jaren van zijn huwelijk en zijn verblijf in de kunstenaarskolonie in Sint Martens-Latem. Toch is in deze vroege verzen zijn schaduwzijde reeds zichtbaar, namelijk zijn hang naar somberheid en zijn latente verlangen naar de dood. Een gedicht dat daaraan appelleert is het meesterlijk gecomponeerde en introverte ‘Wijding aan mijn vader’.
In dit zware, loodzware gedicht heiligt Van de Woestijne zijn vader, een koperslager die hem wreed door de dood wordt ontnomen. Hij is dan pas acht jaar oud. Zijn leven lang zal dit verlies hem kwellen. Van de Woestijne is nog geen 25 jaar als hij zijn elegische zang als ‘wijding’ aan zijn vader opdraagt. De toon in dit sombere gedicht is plechtstatig, de woordkeus lyrisch en overdadig besprenkeld met metafoor en synesthesie.

Het gedicht opent in de eerste strofe met een ingehouden, eerbiedige lof op de zachtmoedigheid en wijsheid van de vader. Daarna schetst de dichter in de tweede en derde strofe de levensmoeë zoon die zijn leven reeds ‘in den avond’ waant, wiens ‘zangen’ ijl over het stille water vervlieten en die zich willoos overgeeft aan een langzaam aanwakkerende bries, vooralsnog getemperd in ‘de lage reven’ van zijn sloep. Zó vaart – aldus de zoon – mijn leven ’in vrede en waan van dood begeren’ naar dat ene, alles overheersende verlangen in de laatste strofe.
In die strofe zoekt de zoon de vader. Want gelijk het bootje onbestuurd-traag drijft op het watervlak, zo loom verglijdt het leven van de zoon totdat hij – zich voorover buigend – in de waterspiegeling zijn eindelijke heul vindt in het wéérzien van de vader. Een gedicht dat droef stemt tot ‘in de spiegel-rust van dieper meren’ zoals de verre, kranke roep van een nachtuil.

Van de Woestijnes lyriek kenmerkt zich in deze periode door een intense zinnelijkheid, een onverschrokken zelfontleding en een paradijselijke hunkering. Hoewel de dichter zijn leven lang worstelt met de disharmonie tussen ziel en lichaam, zien we in zijn latere werk een geestelijke elevatie: een streven naar het licht der kimmen en naar de ijlte van het licht om van de zwoelheid der zinnen genezen te zijn.
Ouder wordend komt hij meer tot rust en vindt hij berusting in zijn lot. Hij is als de druivelaar die door de tuinman al vroeg met veel wonden wordt gesnoeid om in het najaar vrucht te dragen.

Karel van de Woestijne, de rusteloze dichter, die tot weemoed stemt: hèm kunnen we niet licht vergeten.

Over de auteur