Gepubliceerd op: donderdag 29 april 2021

Delphine Lecompte – Het racistische kind

 

De eerste tien jaren van mijn leven groeide ik op bij mijn grootouders in De Panne waar ik zelden in aanraking kwam met niet-witte mensen. Als er voor een carnavalsstoet of musical Arabieren of slaven nodig waren dan werden we geschilderd en mochten we prachtige glinsterende gewaden en klatergouden oorbellen dragen.

Op een dag besloot de afschuwelijke hautaine vlekkeloze makelaar Acou die nochtans al een kroostrijk gezin had twee Indische meisjes te adopteren. Twee weken later stonden ze op zijn drempel.
Wij de bleke kinderen stonden op het voetpad ongegeneerd te gapen naar de kleurrijke sari’s, naar de bruine te symmetrische te serene gezichtjes, naar de donkere handruggen, en naar de dikke glanzende haardos van de twee statige zwijgzame wonderlijke paradijselijke exotische creaturen.
Ik voelde me zoals ik me had gevoeld toen ik voor het eerst de varanen van de melancholische baggeraar had gezien: opgewonden, geërgerd, verward, ongeduldig, geschokt, nieuwsgierig, wreed.
Elke dag hing ik rond in de buurt van het huis van het nu nog kroostrijkere gezin Acou.
De witte Acou kinderen speelden in de tuin met hun dure speelgoedrobotten en hun sheriffkostuums die er jaloersmakend echt uitzagen, maar de Indische adoptiemeisjes bleven binnen.

Op een dag zag ik ze in een doodlopende straat rondlummelen, mijn nichtje Alexandra en ik waren doelloos door de lanen aan het fietsen. Toen we de Indische meisjes in ons vizier kregen omsingelden we ze en eisten we dat ze zouden bewijzen dat ze konden zingen en fietsen. Maar ze bleven stokstijf staan: onwennig, verschrikt, panisch. Ze zongen noch fietsten. We lachten ze uit en porden met onze fietswielen in hun billen en zijde. We vonden het abnormaal dat ze niet konden zingen en fietsen: vernietigende bewijzen van hun onmenselijkheid, hun abnormaliteit, hun beestachtigheid. We scholden de Indische meisjes uit en imiteerden apen uit Madagaskar. Dat waren de laatste apen die we op de televisie hadden gezien, en India en Madagaskar waren een pot nat in onze ogen. Tot slot spuwden we in hun gezicht en fietsten we terug naar het huis van mijn grootouders.

’s Avonds tijdens de overdadige brood- en charcuteriemaaltijd gaf mijn grootvader mij een halfhartige preek. Een van de meisjes had blijkbaar geklikt tegen haar Acou adoptievader. Er was ook een moeder, maar zij was ziekelijk en werd geheel in beslag genomen door klysma’s, charlatans, en blauwe flacons.
Mijn grootvader zei dat alles wat vreemd was de mens angst inboezemde en dat ik die angst moest overwinnen wilde ik een betere mens worden en dat hij een Playmobil ridder te paard en een pluchen draak voor me zou kopen als ik er in slaagde om bevriend te raken met de Indische kinderen. Een pluchen draak wilde ik al heel lang, dus begon ik de volgende dag aan mijn charmeoffensief.

Vrij vlug werd me duidelijk dat de Indische meisjes geen persoonlijkheid bezaten: ze waren ernstig, vlijtig, gedisciplineerd, behulpzaam, braaf, kleurloos, saai. Ze haalden nooit kattenkwaad uit: geen brandjes, geen belletje trek, geen winkeldiefstallen, geen zin om geld af te troggelen van naïeve zadelmakers en korzelige onderwaterlassers, geen fut om weg te lopen, geen seksuele fantasieën, geen goesting om de papier-maché rattenvangers en gescheurde reuzen van het knullige pretpark te bekladden, … Nee, ze wilden gewoon in de veranda van vader Acou zitten en elkaars weelderige haren borstelen. Om moordzuchtig van te worden! Ik staakte mijn pogingen om bevriend te raken met de Indische rotkinderen en trok opnieuw op met de baldadige visserskinderen, met de verwilderde ezeldrijverzoon, en met mijn nichtje Alexandra.

Toen ik tien was ging ik wonen in Gent bij mijn moeder en mijn sombere mompelende stiefvader die altijd in bed lag met nougat en marshmallows en met moeilijke boeken over Proust en Mallarmé, en soms met mijn naakte gigantische obscene moeder. In Gent ging ik naar een school waar minstens twee derden van de leerlingen Turks, Syrisch, en Marokkaans waren. Het was vreselijk. Tijdens de speeltijd trokken de Turkse kinderen voortdurend mijn geliefde gelukbrengende rode muts van mijn hoofd, vooral Resul.
Op een dag kwam ik thuis van school en schreeuwde ik tegen mijn moeder: ‘Ik haat Turken!!’ Mijn moeder zei wijs en streng doch kalm en redelijk: ‘Je kan geen ganse bevolkingsgroep haten.’ ‘Ik doe het toch! Ik haat haat haat Turken, ik haat ze allemaal! En ik wil ze afslachten met mijn assegaai.’ Toen kreeg ik alsnog een pak slaag en moest ik zonder eten naar bed. In mijn slaapkamer koelde mijn woede en ik had gelukkig nog een geheime voorraad bokkenpootjes liggen.

Rachid was het eerste niet-witte kind waar ik bevriend mee raakte. Hij wist dat ik ontzettend veel van dieren hield en dus knipte hij dierenfoto’s uit tijdschriften (zijn vader was oogarts en dus was er een wachtzaal vol tijdschriften voor de rijke verveelde witte patiënten) en de foto’s bracht hij mee naar school in zijn brooddoos. Ik kuste de foto’s en dat vond hij telkens opnieuw hilarisch, hij schaterde en noemde me zijn favoriete clown.
Datzelfde jaar werd ik ook de favoriete clown van Ahmed en Farouk. Ahmed was net als ik een begaafde zakkenroller en een onbevreesde pyromaan.
Mijn eerste liefje was het Turkse wiskundewonder en etymologiegenie én zwemkampioen Deediriz Aytekin, al was ik vooral gevallen voor zijn elfjarige baardschijn en rauwe straattaal. We liepen hand in hand door de schoolgangen en in de weekends spraken we af in het Baudelopark. Maar toen zijn oudere broer me aanrandde in de zandbak mocht ik Deediriz niet meer zien, en hij is nooit meer teruggekeerd naar onze school.

Op den duur maakte ik geen onderscheid meer tussen de witte en de niet-witte kinderen.
De racistische meester Willy bleef wel kwaadaardig onderscheid maken en hij probeerde zielig en tevergeefs verdeeldheid te zaaien. Zo zei hij op een dag: ‘Het stinkt hier, iemand stinkt!’ En toen ging hij ostentatief naast de bank van een schuchter Syrisch jongetje staan en hij snoof aan de oksels van het schuchtere Syrische jongetje en wees het diep vernederde kind aan als de stinkende schuldige.
Niemand deed mee met de genadeloze wreedheid van de racistische meester Willy, alle kinderen waren verontwaardigd en gekwetst. Beschaamd ook.
Toen we op sneeuwklas gingen naar Oostenrijk was er geen enkel gekleurd kind dat mee mocht gaan van zijn ouders, of er was geen geld. Of de ouders van onze Turkse, Marokkaanse, en Syrische vriendjes vonden Oostenrijk ordinair en smakeloos. Te koud. Ik vond Oostenrijk prachtig. Ik zag herten en rode vogeltjes die geen roodborstjes waren, en de ski-instructeur duwde dagelijks zijn erectie in mijn rug op de slede. Dat ik een kamer moest delen met guitige Lori en haar slaafse kruiperige beste vriendin Katrien, en dat ze mij uitsloten kon de pret niet drukken.

Jaren later, toen we volwassenen waren, kwam ik mijn kwelduivel Resul tegen na een van mijn poëzievoordrachten. Hij was een voorname restaurantuitbater en gewiekste politicus geworden. Hij had mijn naam op een affiche zien staan en was benieuwd geweest naar mijn ‘evolutie’. Hij was uiterst charmant en joviaal en zijn kostuum was oogverblindend middernachtblauw. Hij kocht een dichtbundel van me en hij sprak met grote expertise over Arabische dichters die ik vaag kende, maar ook over Apollinaire en Allen Ginsberg.
Toch vertrouwde ik hem nog steeds niet. Deze keer was het geen racisme, want ik was nu volwassen en slim en meestal rationeel. En ik droeg geen rode muts meer. Het zou gewoon nooit echt klikken tussen Resul en mij.

Over de auteur

Delphine Lecompte