Gepubliceerd op: zondag 25 april 2021

Delphine Lecompte – Eet nooit een talisman op en noem een kat geen gorilla

 

Ik ben het enige kreng in de kamer
Ik loop mijn versmachtende huis uit en laat me verblinden
Door de zwarte kat op de jeep van de incestueuze imker
Ik zeg tegen de kat: ‘Bravo, heilige gorilla, je hebt me genezen van mijn kribbigheid!’
De kat negeert me en likt haar achterpoot als een snuivende langhalzige ballerina
Die opzettelijk worstelt met de houten kwelblokjes in haar dansschoenen
In de harteloze Schouwvegersstraat vind ik een talisman
Helaas is de talisman een verrukkelijke eetbare sluiswachter van chocolade
Ik kan me niet inhouden en verslind de sluiswachter met huid en haar.

Nu ben ik blootgesteld aan ziekte, onheil, schipbreuk, bankroet, chantage, en gevaar
Het begint te regenen, ik schuil in de fietsenstalling van het oogziekenhuis
Ik ben niet de enige schuiler, er staan nog twee dreigende onderwaterlassers in de verste hoeken
Ze zijn jarige tweelingbroers, schorpioenen met bloedworsten in zilverpapier
Ze duwen de bloedworsten tussen de spaken van de fietsen en verkrachten mij beurtelings
Wanneer de regen stopt krijg ik zin om een gedicht te schrijven
Ik schrijf over de kat en de talisman, en uiteraard ook over de bloedworsten in zilverpapier
Grappig dat ze terechtkwamen tussen de spaken van de fietsen
Als zombies, als een fopstreek, als voedselverspilling na een bietenbal, als een zoete herinnering.

Dan wandel ik op het strand en zie ik mijn vader met een pluchen egel
En een doorzichtige zak vol stemvorken en gibbonhersenen op een golfbreker staan
Wat moet die zak zwaar wegen, zal ik mijn vader helpen?
Iemand anders is me voor: een roodharige schuldbemiddelaarster wier moeder
Koorddanseres was tot ze lelijk ten val kwam in Belgrado en zich tevreden moest stellen
Met boeken over pelsjagende outlaws lezen overdag en slaapwandelen ’s nachts
Mijn vader houdt van roodharige vrouwen die zich bekommeren om de erbarmelijke financiën
Van gefnuikte en geknakte troubadours, ze verlaten hand in hand het strand
De pluchen egel wordt meegenomen, maar de zak vol stemvorken en gibbonhersenen blijft achter.

Stom om een zak vol stemvorken en gibbonhersenen achter te laten op een golfbreker
Ik gooi de inhoud van de zak in de Noordzee
Een baars stikt in een stemvork, maar de andere stemvorken zinken op de bodem
Waar ze amuletten worden voor de domme bijgelovige octopussen
Een verwarde en verstoten walvis inhaleert de gibbonhersenen
In zijn buik worden ze weer volledige doldwaze uitbundige primaten en in de muil
Van de walvis ontstaat er een innige vriendschap tussen de walvis en de gibbons
Op deze manier heb ik toch maar mooi mijn steentje bijgedragen aan een betere onderwaterwereld
Ik eet een wafel op de dijk en probeer extatisch gelukkig te zijn, het lukt niet.

De analfabetische jongenshoer imiteert een struisvogelkweker met galstenen
Om me op te beuren, ik waardeer zijn poging
We besluiten eendrachtig om een benzinestation te overvallen
De analfabetische jongenshoer draagt een nauw zittend impalamasker
En ik moet me tevreden stellen met een veel te ruim masker van Khadaffi
De overval verloopt vlekkeloos en we zijn dertig bankbiljetten rijker
Op de rand van het drooggelegde zwembad verdelen we de bankbiljetten
Ik zeg moedeloos: ‘Nu kan ik een ambetante geit, een soepketel, en een contrabas kopen.’
De analfabetische jongenshoer zegt minstens even moedeloos:
‘Ik zal een sombere wasbeer, een dwarsfluit, en een schommelstoel kopen.’

We kopen niets, de avond valt en de maan is een overrijpe vijg
In de handen van een bitsige Bretoense roeispanenmogoldochter
Ze kon me niet verdragen in de Provence, ik was twaalf
En hield van haar man, een knullige kubist en praatlustige holocaustoverlevende
Mijn billen waren toen nog perziken, maar mijn borsten waren al rotte oorlogsschepen
We hebben de liefde bedreven in de badkamer, krap maar teder
De kubist onderwees me over geuren en slangen en foltermethoden en vrouwelijke jaloezie
De holocaustoverlevende tilde me op en plaatste me op de weegschaal, vreemd erotisch.

De analfabetische jongenshoer streelt per ongeluk een behekste xylofoon
Hij verandert in een ontsnapte circusleeuw, wordt gevangen met een net
En weggesleept door een degenslikker en twee clowns
Ze slepen hem naar het containerpark en dumpen hem naast een berg
Kapotte broodroosters, maar het hart van de berg is een zalige leeuwin
Haast heilig, ze ontfermt zich over de ontsnapte circusleeuw
Ze bijt zachtjes in zijn nek en hij wordt weer een mens
De leeuwin likt zijn bibberende naaktheid en zegt: ‘Nu weet je
Hoe Adam en Eva zich voelden, en waarom Eva de kapotte broodroosters niet aan de praat kreeg.’

Ondertussen word ik lastiggevallen door een melancholische baggeraar
En een ontslagen kraanmachinist, ze nemen het me kwalijk
Dat ik op de rand van een drooggelegd zwembad lig
Ze beschuldigen mij, ze beweren dat ik het zwembadwater heb gestolen, toverdrank
Ik streel opzettelijk de behekste xylofoon en ik word een heerlijke baldadige uitgelaten
Gibbon in de muil, niet in de buik, van de aardige tandeloze goddelijke walvis.

Over de auteur

Delphine Lecompte