Gepubliceerd op: maandag 15 maart 2021

EI 261: Piet Gerbrandy – Ga maar naar je werelddeel

 

Het langdurig afscheid in de vertrekhal verliep opgewekt en desastreus.

Ga maar naar je werelddeel.
Blijkbaar ben je niet te houden.
In het Oosten zei je? Dat was wat ik verstond.

Men zegt dat werelddelen veel bieden aan kennis

en indrukken en onverhoopte emolumenten
en planten met absurde voorplantingstechnieken
en aan lichaamsdelen in alle mogelijke standen

‘maar hoed je voor slangen en padden’.

Men zegt ook dat er stammen talen spreken

die niemand vernam
waarvoor geen tekens toereikend zijn

daar men alles verzwijgt wat men kan

‘maar hoed je voor padden en spinnen’.

Dat achten zij doeltreffend en gepast.
Zo is hun cultuur nu eenmaal: fijnzinnig en discreet.
Men zegt ook: gewild mysterieus.
Concreet en haptisch is daarentegen hun wijze van groeten en roven

‘maar hoed je voor spinnen en vuur’.

 
____
In het gedicht is sprake van een ik-persoon die zich richt tot iemand die blijkbaar terug wil naar zijn ‘werelddeel’. Werelddeel is hier op te vatten als een metonymie, in het bijzonder als een totum pro parte. Bedoeld wordt het land, de streek of het dorp waarnaar de aangesprokene wil terugkeren. Volgens de ik-figuur is die jij-persoon hier ‘niet [meer] te houden’. Heeft hij soms heimwee of is hij het hier – in Nederland – zat? Terug naar het ‘Oosten’, is wat de ik-persoon hem hoort zeggen. Maar die term wekt wel enige verwarring. Wordt het Nabije Oosten, het Midden-Oosten of het Verre Oosten gemeend? Lastige geografische aanduidingen waarvan de definities in de loop van de geschiedenis ook nog eens aan veranderingen onderhevig zijn geweest. We kunnen met het ‘Oosten’ bijna alle kanten op.

Na de eerste, inleidende strofe valt het gedicht qua vorm op door drie 4-regelige strofen, elk gevolgd door een keerregel. In die strofen laat de dichter anderen aan het woord. Nadrukkelijk wordt daarbij tot driemaal toe het onbepaalde voornaamwoord ‘men’ gebruikt. Wat is daar de reden voor? Het gebruik van men is een alternatief voor passiefconstructies waarin het door-zinsdeel – het feitelijke subject – wordt weggelaten omdat de antecedenten onbekend zijn of niet genoemd mogen of kunnen worden.
Dus wie de dichter bedoelt met ‘men’ is niet duidelijk.

Maar wat is er nu gaande in die drie strofen? Het antwoord hierop is dat in die kwatrijnen niet nader genoemde subjecten hun mening geven over andere werelddelen. Die mening wordt in de vorm van een uitgebreide enumeratie geëtaleerd. Eerst wordt daarin gerefereerd aan positieve aspecten zoals het opdoen van ‘kennis en indrukken’ en het verkrijgen van ‘emolumenten’: extra beloningen buiten het geregistreerde loon om, zoals bepaalde privileges en beloningen in natura.

Daarna gaat de opsomming verder met het benoemen van minder positieve, eerder negatieve kanten. Namelijk dat ‘men zegt’ dat andere werelddelen eveneens veel te bieden hebben ‘aan planten met absurde voorplantingstechnieken en aan lichaamsdelen in alle mogelijke standen’. Het eerste deel van deze frase lijkt in letterlijke zin te verwijzen naar het bestaan van planten die zich op bizarre wijze voortplanten, zoals vegetatief of via sporenvorming. In overdrachtelijke zin zou het fragment kunnen verwijzen naar absurde experimenten op het gebied van geboortebeperking, zoals de eenkindpolitiek in China.

Het tweede deel van boven aangehaalde frase lijkt te zinspelen op deficiënties van ledematen waarmee baby’s – zoals in India – niet zelden worden geboren. In meer overdrachtelijke zin wellicht een verwijzing naar de gevolgen die aanslagen en landmijnen kunnen hebben op ledematen van het menselijk lichaam. In de opsomming worden daarna bijzonderheden genoemd, zoals het leven van ‘stammen’ wier ‘talen’ nog niet zijn opgetekend en waarvan de leden zich hullen in stilzwijgen.

In die laatste strofe worden enkele verklaringen gegeven waarom inheemsen zijn zoals ze zijn en waarom ze weinig van zich zelf prijsgeven. Dat is zo, omdat het volgens hen zo hoort en omdat het effectief is. Wordt immers niet gezegd dat zij de zwijgcultuur ’doeltreffend en gepast’ vinden? Aanvullend daarop worden enkele kenmerken van die cultuur expliciet opgenoemd. De mensen zijn er ‘fijnzinnig’ [tactvol], ‘discreet’ [bescheiden] en ‘gewild mysterieus’ , [raadselachtig, zij het wat geforceerd].

In de laatste versregel attendeert ‘daarentegen’ op minder gepaste eigenschappen van die ‘stammen’. Namelijk dat zij in hun begroeting ‘haptisch’ zijn. Dat wil zeggen fysiek en zintuiglijk. In die laatste versregel wordt tevens gezegd dat zij in geval van ’roven’ ‘concreet en haptisch’ zijn. Dat betekent dat zij het bestelen van de ander geweld geenszins schuwen. Overigens klinkt het substantief ‘stammen’ enigszins pejoratief in de oren.

Blijven over de drie keerregels die we kunnen duiden als een refrein dat het gedicht een dreigende lading geeft. Het doet denken aan de waarschuwing op de Romeinse erven van weleer: cave canem, hoed of wacht u voor de hond. In de context van het gedicht wordt in de keerregel in de vorm van een imperativus gewaarschuwd voor de gevaren van lagere diersoorten: slangen, padden en spinnen. Omdat – tot driemaal toe – tot behoedzaamheid wordt aangemaand, is het alsof de impliciete ik de naar huis terugkerende reiziger ergens voor wil waarschuwen.
De pad staat onder meer voor wellust en dood. De slang verwijst meestal naar het gif van het kwaad dat overal loert en verleidt. Dan is er nog de spin die zijn prooi in zijn web verschalkt en leeg zuigt. De opsomming van verderf en dood zaaiende amfibieën, reptielen en spinachtigen belooft niet veel goeds voor een terugkeer.
Tenslotte resteert het laatste woord in het gedicht ‘vuur’ dat de eigenschap heeft van enerzijds verdelgen en anderzijds zuiveren.

De dichter laat de lezer met veel vragen achter en houdt hem in het ongewisse over wie het nu precies gaat en of het gedicht positief of negatief geduid moet worden. Maar dat alles valt onder polyinterpretabiliteit die hedendaagse poëzie niet vreemd is.
De aan het gedicht voorafgaande prozazin: ‘Het langdurig afscheid in de vertrekhal verliep opgewekt en desastreus.’ kan betekenen dat de aangesproken persoon inderdaad naar elders, naar het ‘Oosten’ is vertrokken, op een plezierige èn ellendige wijze, namelijk ‘opgewekt en desastreus’! En die twee elkaar min of meer uitsluitende begrippen kunnen ook weer opgevat worden als een voorbode op het paradoxale en ambigue karakter van het gedicht. Stijlfiguren waarmee de dichter de lezer bij herhaling confronteert en in verwarring brengt.

 

Ontbinding
Piet Gerbrandy
Uitgeverij AtlasContact
ISBN 9789025464684

 

 

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.