Gepubliceerd op: dinsdag 9 maart 2021

EI 260: Willem van Toorn – Vide-grenier

 

Van heinde en ver, in horden en om wat
te vinden aangereisd door het herfstlandschap.
Contanten meegebracht, dit is de economie
van het kleingeld, de weemoed, het gedeukte,

gescheurde maar weer opgelapte, van wat ooit geliefd,
onmisbaar was. En van nog niet verloren dromen,
van tijd, dat er een toekomst was. De stoel waarop moeder
nog een dag stil voor het raam zat, lang bewaard

maar nu toch maar. De rubberen Babar
waar nooit mee is gespeeld. Een pakje klassenfoto’s
waarop je achter de rij kinderen het dorp compleet
met school en kerkhof en kaduuk kasteel

nog moeiteloos herkent. Zilveren vingerhoeden.
Een doos met kranten in perfecte staat, die van 3 oktober
1935 bovenop met in zwart-wit de duce,
die het juichend volk volgens de kop meedeelt

dat nu, op dit moment, het groot fascistisch heer
Abessiniё binnenvalt. Een opgezette uil. Gedragen schoenen.
Er moet iets bij zijn wat je nog niet hebt
of al ondraaglijk lang niet meer.

 
____
Op het Franse platteland heeft bijna ieder gehucht en dorp zijn eigen ‘vide-grenier’. Letterlijk zolderopruiming maar in de volksmond rommelmarkt. En dat altijd op zondag en niet zelden tot in de nazomer. De markten zijn drukke en gezellige ontmoetingsplaatsen waar nog iets te verdienen valt, wat onttrokken is aan het alziend oog van de republiek. Het is ‘de economie van het kleingeld’, een relict van de middeleeuwse markten met ruilhandel, handje klap, ‘contanten’ en veel vertier. Men komt er ‘van heinde [nabij] en ver’. Dit gedicht van Willem van Toorn schetst zo’n markt.

Wat direct opvalt, is dat de dichter de vide-grenier beschrijft in zijn oorspronkelijke opzet. Dat blijkt uit het enumeratieve karakter ervan. De strofen benoemen kort de handelswaar die zich onderscheidt door zijn bonte diversiteit: meubels, speelgoed, lectuur, foto’s, kranten, opgezette dieren en naaigerei. Een reeks die eindeloos kan worden aangevuld met soortgelijke koopwaar als servies, heiligenbeelden, kleding, gereedschap, munten, schilderijen, plattegronden en suikerzakjes. Een ieder die ooit de Franse vide-greniers bezocht, zal zich in die schets herkennen.

Subtiel wordt in die opsomming tevens gewag gemaakt van het wezen van de vide-greniers. De waar is er vanwege ‘het kleingeld’ goedkoop, ‘gedeukt, gescheurd maar weer opgelapt’ en soms zelfs ongebruikt of onaangeroerd. Toch is het gedicht meer dan louter opsomming en karakterisering van koopwaar. Erachter gaan beelden schuil, soms zelfs archetypen, die onder de noemer ‘weemoed’ vallen. Want hoe nietig de handelswaar ook is, bijna elk heeft zijn herinnering of geschiedenis.
En die gaan soms diep zoals het uiteindelijk afstand doen van ‘de stoel waarop moeder nog een dag stil voor het raam zat’. En het rubberen olifantje ‘Babar’, ‘waar nooit mee is gespeeld’. Dan de met zorg bewaarde ’doos met kranten’, bedoeld om ooit te lezen, wat nimmer gebeurde. Zo zit er achter elk object een eigen verhaal. Wat evenwel blijft, is het besef dat er toen nog ‘een toekomst was’ die inmiddels met het voortschrijden van de tijd voorbij is. De verkoop van prullaria zelf doet geen pijn maar wel de herinnering aan het moment waarop je iets kreeg of kocht. Het moment ook waarop je nog dromen kon. Dàt moment is onomkeerbaar en dàt maakt weemoedig.

Opvallend in het gedicht is verder dat er twee parallelle werelden op ons netvlies verschijnen. De een impliciet en de ander expliciet, namelijk die van de grootstad met haar moderniteiten, haute finance en massaliteit versus die van het platteland waar men elkaar nog kent, elkaar de hand schudt en over de kleine dingen des levens praat, soms met schaterlach en soms met een traan. De vide-grenier als substituut voor de zondagse hoogmis met daarna een gezellige kout en wat schalks gekir op het kerkplein. En een borrel in het dorpscafé. Daarbij lijkt het alsof de tijd op het platteland stil staat. Zegt de dichter immers niet dat men ‘school en kerkhof en kaduuk kasteel’ op de achtergrond van de klassenfoto’s van weleer heden ten dage ‘nog moeiteloos herkent?’ Het syndetische karakter van de opsomming benadrukt die stilstand.

Tegelijkertijd vallen we – rondkuierend – opeens midden in een oorlog. Een krant uit 1935 kondigt aan hoe Benito Mussolini door zijn volk onstuimig wordt toegejuicht. Hiermee zijn fiat gevend aan het oprukken van de legers van de ‘duce’ naar het toenmalige keizerrijk van ‘Abessiniё’, het huidige Ethiopië. Een vrijbrief voor fascisme en kolonisatie met al zijn kwalijke gevolgen. Schaduwen uit een donker verleden die zomaar een smet werpen op een mooie en gezellige zondagmiddag.

Een gedicht dat ook nog op andere manieren geduid kan worden. De vide-greniers waarvan het aantal de afgelopen decennia explosief is gestegen, waren ooit vindplaatsen van talrijke trouvailles, waardevolle vondsten die door de brocantehandel massaal zijn opgekocht en elders tegen hoge prijzen zijn of worden verkocht aan stedelingen die niet op ‘kleingeld’ hoeven te kijken. Maar zoals gezegd: de markten floreren als nooit tevoren. Ze lijken nu vooral een uiting te zijn van een sterk lokale behoefte aan gemeenschapszin.

De markten vertellen echter nog veel meer. Tegenwoordig zijn vide-greniers ook locaties waar de précarité, de armoede op het Franse platteland, zichtbaar is. Tegelijkertijd is op de Franse plattelandsmarkten de verspilling waarneembaar. Zelfs In de meest verpauperde oorden is op de rommelmarkten sprake van encombrement, van overdaad aan spullen, de zogeheten verspulling. En dan is er nog iets wat de Fransen des vieilles frusques of chiffons noemen. Het wegdoen van afgedankte spullen, met name kleding en schoeisel.
Van die laatste categorie wordt gretig gebruik gemaakt. De vide-greniers worden steeds meer bezocht door nieuwe groepen armen, zoals randmaatschappelijken, langdurig werklozen en migranten. Zij kunnen er zich met ‘kleingeld’ te goed doen aan de overdaad die de onderklasse van de Franse samenleving inmiddels rijk is en afdankt.

Wie er altijd komen, zijn de toeristen en collectioneurs, de verzamelaars van munten, eierdoppen, postzegels en noem maar. Zij frequenteren de markten op zoek naar iets moois. Want vide-greniers blijven plekken waar tussen prullaria, snuisterijen, rommel en afgedankte spullen soms iets opduikt wat je ‘nog niet hebt’. En zo houdt de dichter de lezer in zekere zin een spiegel voor: een tableau vivant waaruit in maatschappelijk en sociaal opzicht het nodige is af te leiden.

 

De dagen
Willem van Toorn
Uitgeverij Querido
ISBN 9789021422305

 

Eerder schreef Remco Ekkers een Eerste Indruk over het gedicht Anna, dat ook in deze bundel staat.

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.