Gepubliceerd op: donderdag 25 maart 2021

Delphine Lecompte – Monsters en spoken

 

Wellicht begon de fascinatie in het spookhuis van Veurne. Elke zomer mochten mijn neefjes en ik de kermis bezoeken nadat we de Boeteprocessie hadden doorstaan. De neefjes renden naar de botsauto’s, maar ik werd onweerstaanbaar aangetrokken tot de geschilderde skeletten op het spookhuisraam. En op het balkon stond een man met een zeis en een grote kap die zijn gelaat verborg. Binnen kon je zombies horen loeien en heksen horen krijsen. Het was godzijdank een spookhuis met karretjes, ik sloot mijn ogen de ganse rit lang. Maar het spinrag in mijn nek en de slappe handen en wassen tentakels van de onzichtbare monsters waren huiveringwekkend en sensationeel genoeg.

Op een dag hield ik mijn ogen open. Een fatale vergissing: het spinrag bleek een knullig kluwen, en de onzichtbare monsters waren papier-maché bietebauwen: haast aandoenlijk, vaak beschadigd, altijd loensend, nooit kwaadaardig. De slappe handen waren de vieze vingers van de volstrekt onschuldige zelden kwijlende pedofiele mecanicien, de achterlijke schoonbroer van de spookhuisuitbater. De magie verdampte en ik wilde het spookhuis in brand steken, maar de veelgeplaagde ezeldrijver hield me tegen en gaf me een zelfgemaakt ouijabord. Met het ouijabord kon ik geesten oproepen.
Ik trommelde mijn vriendjes op, we namen bezit van de woonkamer van mijn grootouders, sloten de gordijnen, en riepen de geest op van de tante van braaf puriteins Karolientje die verguisd werd door de meeste kinderen omdat ze snoepgoed weigerde, omdat ze geen huisdieren had, omdat haar kleren nooit vuil werden, en omdat ze met teveel geestdrift naar de kerk ging. Maar zij was de enige met een dode in de familie en dus hadden we haar nodig, de trut.

Haar tante was bezweken aan botkanker. We riepen de geest van de tante plechtig op. De tafel begon te zweven en de vlijtige apothekersdochter viel flauw. Iemand stak het licht aan en alles was om zeep. Maar ik had de smaak te pakken, en diezelfde avond riep ik de geest van de tante opnieuw op. In mijn slaapkamer deze keer. Ik wachtte tot middernacht en de geest verscheen meteen.
Aan het ontbijt vertelde ik mijn grootmoeder onstuimig over mijn communicatie met de aardige geest. Mijn grootmoeder reageerde neerbuigend, spottend, bijtend, en vol ongeloof.
Ik was ervan overtuigd dat mijn grootvader mijn enthousiasme zou delen, maar hij was woedend en hij gooide het ouijabord in de open haard. Geesten oproepen was vulgair en wansmakelijk, beweerde hij. Het terrein van zigeuners, circusartiesten, tapijtenverkopers, heidenen, charlatans. Ik liet me niet ontmoedigen. Ik ging naar de bibliotheek en vond een boek over geesten met foto’s waarop schimmen te zien waren, en met indrukwekkende getuigenissen van mensen die in huizen hadden gewoond waar spoken en demonen de scepter hadden gezwaaid, bij wijze van spreken.

Ik liet ’s nachts een glas water in het midden van mijn slaapkamer staan en het waterpeil zakte, omdat een geest van het glas had gedronken! Ik vertelde over de dorstige geest tegen mijn beste vriendin Margot. Slimme ietwat pedante Margot van de Gelukstraat lachte me uit: water verdampt, dat heet fysica.
Ook mijn moeder die me in het weekend bezocht lachte me hartelijk en wreed uit. Toch probeerde ze me ook de hand te reiken, een kleine toegeving te doen: ze kocht een boek voor mij, een geïllustreerd boek over monsters. Het was een kinderachtig en betuttelend boek, met het woord ‘fantasie’ dat almaar terugkeerde om me met de neus op de feiten te drukken: de monsters waren niet echt, ze zaten in mijn hoofd.

Natuurlijk waren ze wel echt, en ik bleef in ze geloven en contact met ze zoeken. Ik vond uiteindelijk een bondgenoot: de vereenzaamde Russische gravin die schuin tegenover mijn grootouders woonde, in een verwaarloosde villa in de duinen met enorm veel katten en grote voorraden schoensmeer. Zij geloofde ook in spoken en zij had in haar geboortestreek vele monsters moeten verslaan, ze beschreef de monsters in geuren en kleuren. Het was prachtig en elke woensdagmiddag organiseerden we een heksensabbat volgens de regels van de kunst, behalve dus het tijdstip. Het tijdstip klopte niet, maar ik kon niet zomaar ’s nachts verdwijnen.
Erg amusante tijden en ik leerde dat de meeste monsters aardige, grappige, lompe, verkeerd begrepen wezens waren die verwelkten of kwaadaardig werden als je ze haatte, maar die konden openbloeien en in staat waren om je zacht te plagen en diep te ontroeren als je ze liet voelen dat je hen aanvaardde.

Toen ik als beginnende puber zelf een monster werd genoemd door wrede hitsige bloedmooie surfende klasgenoten droeg ik mijn titel met trots. En soms deed ik er een schep op: ik maakte grimassen en liep gebocheld en geklauwd door het biologielokaal als Nosferatu. Nog later leerde ik HP Lovecraft kennen en de amfibische monsters van Guillermo Del Toro. Mijn intellectuele moeder beweerde stellig dat de monsters metaforen waren voor het kwade, voor de moordzucht, en voor de kwellingen in onszelf. Haar arrogante autoritaire uitspraak maakte me razend. Ik kende sommige monsters persoonlijk, ik had spoken gesproken en geesten hadden me geholpen om me minder eenzaam te voelen.
Maar ik probeerde mijn liefde voor de geestenwereld niet aan haar uit te leggen, ik had al vaak genoeg meegemaakt hoe geringschattend en afketsend zij en mijn stiefvader deden telkens er sjamanistische scènes of voodoorituelen in een film te zien waren. Ze riepen in koor: ‘Abracadabra, hocus pocus pats!’ Maar niet op een vriendelijke manier.

En nu? Nu zijn ze er nog steeds, de monsters en de spoken. Ik moet ze voor mezelf houden maar ik zal ze nooit verloochenen, ik zal ze blijven koesteren en af en toe oproepen.

Over de auteur

Delphine Lecompte