Gepubliceerd op: donderdag 11 maart 2021

Delphine Lecompte – Ingres of Delacroix

 

In mijn slaapkamer hing een poster van een dubbeltentoonstelling met werken van Ingres en Delacroix. Ik had die tentoonstelling niet gezien, ik was tien en mijn moeder had die tentoonstelling bezocht met mijn sombere mompelende stiefvader toen ik op schooluitstap was naar een mistroostig pretpark waar valkeniers zich koningen waanden.
Links op de poster stond een weelderige naakte vrouw met opgestoken haren en rechts werd een woeste zich fel verwerende merrie aangevallen door een wervelwind van vacht en strepen en klauwen en tanden, vermoedelijk een luipaard. Ik vond de vrouw van Ingres dom en saai als een strandwandeling, maar van het gevecht tussen de twee krachtige mythische sierlijke woedende beesten kreeg ik nooit genoeg. Ik was verrukt en gebiologeerd.

Later dat jaar kreeg ik een zware griep en lag ik enkele dagen met hoge koorts in bed, toen werd ik milder voor Ingres. De vrouw op de poster was een poezelig baken, een surrogaatmoeder, een lepeltje honing. Ik sleepte me uit bed om haar te kussen en te strelen. De linkerkant van de poster werd groezelig en vettig. Ik voelde me schuldig als een masturberend kind en probeerde met een washandje de vrouw van Ingres weer rein te krijgen, het lukte niet.
Mijn eigen moeder was een voltijds werkende vrouw met een enorme uitbundige grillige vriendenkring, met een Algerijnse minnaar, met een stalkende schoorsteenveger die ook biografieën schreef (o.a. over Attila de Hun en Mata Hari), met een krakkemikkig sikkeneurig herenhuis dat voortdurend barse loodgieters en hitsige stukadoors nodig had, en met dus die sombere mompelende stiefvader die verslaafd was aan nougat, wijn, en opioïden, en die vaak geopereerd moest worden aan zijn onderkaak, en wier hartelijke doch tragische schizofrene jongere zus soms onverwacht op de drempel stond met zakken chips en kokers tennisballen voor mij (ik was nochtans geen tennisspeler), en dan maanden bleef logeren.

Ze was de levend geworden vrouw van Ingres, besefte ik op een dag. Vanaf die dag was het vooral ik die op haar drempel ging staan. Ze heette Christa en ze was vroeger schoonheidskoningin geweest. Ze was weduwe, haar man zaliger had haar een olieslagersfortuin achtergelaten: ze woonde in een somptueus luxueus decadent kitscherig appartement met uitzicht op majestueuze eiken en op een gezellige oogkliniek. Ze dronk twee kratten bier per dag en nam bergen paardentranquilizers. Ze droeg altijd een donkerblauwe fluwelen kamerjas maar bij haar oogde dat niet zielig of slordig. Ze was steeds piekfijn gecoiffeerd en op haar vingernagels stonden grote tropische vogels naast duttende pasja’s met tulbanden, brilslangen en puntige pantoffels in hun hangmat. Christa was frivool en lui en speels als een verwende zwaarlijvige poema in gevangenschap. Er waren geen maaltijden, er waren marshmallows en pizzaleveringen. Er waren geen boeken, er waren films over bankovervallers, over mierenplagen, over gevaarlijke witte haaien, en over pronte gillende cheerleaders op de vlucht voor ontsnapte gekken met regenlaarzen en haakhanden. Er waren geen kranten, er waren tijdschriften over dure oranje gewaden en gouden accessoires en jetsetfeestjes met lome oogverblindende jacuzzimagnaatdochters op hakken hoger dan hun pauselijke imbeciele chihuahua’s en naast verloederde rocksterren met belachelijke diademen en opzichtige snuifdozen en onwerkzame amuletten.

Christa had een prachtige sportieve blonde dochter die enkele jaren ouder was dan ik. Ze nam me op sleeptouw: leerde me roken en origami walvissen en kamelen maken, ik aanbad haar en mocht op een plakkerig stoeltje wachten naast het zonnebanktoestel dat in de keuken stond tussen gevorkte cactussen en afgedankte broodbakmachines. De dochter heette Leen en ze leek als twee druppels water op Alicia Silverstone in de drie legendarische muziekclips van Aerosmith: Cryin’, Amazing, en Crazy.
Toen ze me eens afzette aan de schoolpoort was ik op slag populair. Gelukkig duurde het niet lang.
Toch was het vooral de moeder, Christa, die een blijvende indruk op me maakte. Terug thuis kon ik maar moeilijk mijn ergernis onderdrukken: mijn moeder was vaal en hoekig, veel te intellectueel en ze schminkte zich nooit. Ze deed bovendien neerbuigend over mannequins in het algemeen en over de Wit-Russische kassierster van de supermarkt om de hoek in het bijzonder, omdat de mannequins en de kassierster volgens mijn moeder nog nooit van Proust en van Godard hadden gehoord.

Ik ging naar de bibliotheek en verdiepte me in de badende vrouwen, de liggende naakten en de odalisken van Ingres. Ze waren met velen en ze werden stuk voor stuk moeders.
Ik werd hartstochtelijk verliefd op de brede witte beminnelijke vrouw die een zware waterkruik uitgiet net naast haar linkerschouder. Dat ze het water niet morst op zichzelf vind ik nog steeds magisch.
Op een van de feestjes van mijn moeder sprak ik mijn liefde voor Ingres uit. De volwassenen bulderden en spotten zacht doch venijnig met mij, ze deelden geamuseerde en samenzweerderige blikken met elkaar uit. Ik voelde me vernederd en trok me terug in mijn slaapkamer met een kommetje crackers met kaassmaak. Ik trachtte opnieuw van Delacroix te houden, het lukte niet. Ik scheurde de linkerkant van de poster van de muur, maar Ingres bleef nog lang door mijn hoofd spoken. Uiteindelijk vergat ik zijn kokette wulpse wellustige haremslavinnen en stralende blakende integere courtisanes volledig.
Ik werd in beslag genomen door de akelige cynische graatmagere feeksen van Otto Dix, door drank, door kleptomanie, door promiscuïteit, door mijn demonen, door mijn gedichten, en tenslotte door mijn voormalige vrachtwagenchauffeur en door mijn honden.

Maar vandaag omarm ik Ingres en zijn harem opnieuw. En ik kan haast niet geloven dat ik mezelf zulke magnifieke moeders, zulke zalige comfortabele hoeren, zulke troostende nobele sensualiteit, en zulke grootse heilige kunst heb ontzegd. Uit snobisme en angst voor spotternij.
Nooit meer deze fout maken.

Over de auteur

Delphine Lecompte