Gepubliceerd op: donderdag 4 maart 2021

Delphine Lecompte – Hans

 

Hans is wonderlijk. Hans is een sprookje.

Ik zag hem voor het eerst na een poëzievoordracht in Zeeland. Groot, warm, verlegen, gul, en kinderlijk.Te trots op zijn weelderige krullen. Geen vlekken in zijn gezicht. Majesteitelijke neus, boerse wangen. Zijn sterrenbeeld ben ik vergeten. In de tuin stonden tafels met kleine sandwiches, gebakjes, noten, gedroogd fruit, en overal wijn. Ik ging achter Hans staan met een glas witte wijn. Hij voelde mijn aanwezigheid (of hij hoorde mijn zware hijgerige adem), hij draaide zich om en noemde me plagerig een panter of een andere sluipende katachtige. Hans at brie en gedroogde vijgen. Ik at niet omdat ik bang was om te morsen. De wijn en de zon en de kennismaking met een magisch schepsel van het mannelijke geslacht maakten me duizelig.

Hans vertelde anekdotes over zijn kindertijd: over de kuip van de excentrieke olieslager waarin hij bijna was verdronken na zijn communiefeest, over de vereenzaamde gravin die uitsluitend masturbeerde met gerookt paardenvlees en die hem het een en ander leerde over zwarte magie en nautische knopen, over de schalkse vijftienjarige babysitter wier slipje hij mocht liefkozen en na vier babysitsessies mocht hij ook haar blonde schaamhaartjes beroeren, over zijn aanbeden moeder die zijn krullen liet groeien en hem in stijve witte kleedjes wurmde en die hem wijsmaakte dat zijn vader een fabelachtige potvis was, over de formidabele zadelmaker die een tekenblok voor hem kocht en hem aanmoedigde een eigen stijl te ontwikkelen.
De stijl werd gevonden: apocalyptische ruïnes, radioactieve zwammen, demonische kikkers, weinig kleuren en geen mensen.

Hans ging terug naar Eindhoven en ik keerde met de oude kruisboogschutter terug naar Brugge.
Druk dronken mailverkeer en chats volgden: nu eens zweverig, filosofisch, spiritueel, teder en poëtisch. Dan weer hitsig, schunnig, schaamteloos, expliciet, eerlijk, bevredigend. Geen verwijten achteraf, ook niet nadat ik Hans had gevraagd om zijn broek uit te doen en zijn penis aan de webcam te voederen. Zo agressief formuleerde ik het echt: ‘Doe die broek uit en voeder de camera, verrukkelijk verwerpelijk walgelijk schoon porseleinen potviskind!’ Daar was de panter weer…
Ik hield van Hans, maar zijn frêle fragiele maniertjes kon ik maar moeilijk verdragen. Te gemaakt, te broos, te delicaat.

Toen ik twee weken in een vissersgehucht in het Noorden van Frankrijk veroordeeld was tot een vakantiehuisje met de jammerende oude kruisboogschutter en zonder internetverbinding ging ik elke middag een uurtje naar het café met de minst wankele wifi, dan dronk ik een blonde Westmalle en mailde ik met Hans. Het café heette Odyssée en was dinsdag en donderdag gesloten. Tijdens de sluitingsdagen huilde ik. Dat had niet alleen met het gemis aan Hans te maken, maar ook met mijn escalerende drankmisbruik.

Mijn huid was steeds klam en ik kreeg mijn tandenborstelbeker niet meer in bedwang, maar ik nam nog zelden de moeite om mijn tanden te poetsen. ’s Ochtends dronk ik lauwe blikjes bier om de doodsangsten, het beven en het klappertanden tegen te gaan. De oude kruisboogschutter keek met lede ogen naar mijn zelfdestructie en suïcidale wanhoop. Hij bezocht oorlogsmusea en kocht chips, peperkoek en pladijzen voor mij. Het was de gulzige vraatzuchtige boulimische fase van mijn alcoholverslaving, en ik braakte minstens drie keer per dag. Ik zag de zee niet. Ik zat ernaast maar ik keek niet naar de baren: mijn hoofd was volledig ingenomen door de zoektocht naar drank en naar Hans.

En ook waren er de vreemde oppervlakkige aanstellerige bevliegingen die elkaar in een snel koortsig tempo opvolgden: de maskers van de Aleoeten, libertijnse herderskoppels op middeleeuwse wandtapijten, de dagboeken van Paul Léautaud vol genade voor schurftige katten en honden, mythen en sagen uit Papoea-Nieuw-Guinea, vrouwelijke pornografen, voodoo, sloepen, buiksprekers, goochelaars, de plompe lori, sonnetten over kamelen, foto’s van gieren en drukke markttaferelen, de muziekvideo van November Rain, de intro van Rikki Don’t Lose That Number, het laconieke charisma van Michael Caine in The Man Who Would Be King, Beierse souvenirlepels, Klein Duimpje, abortus in Moldavische steegjes, broeierige filmscènes in goktempels, dwergpoedels, goudkoorts, pelsjagers, zeppelins, tandvleesziekten, trapliften, oogboltumoren, Mata Hari, Jackson Pollock, stokstaartjes, bruidstaarten, het geitje in de klok, The Doors, …

Na die twee weken durende beproeving in het Noorden van Frankrijk werd mijn hartstocht voor Hans nog feller en ranziger. Ik wilde zijn atelier bezoeken, maar hij hield de boot af. Het kwetste me, het maakte me ziedend, ik zinde op wraak. Maar ik haatte wraak of ik was te passief en te drankzuchtig voor wraak, kokhalzen en onverschilligheid en hair of the dog bepaalden gans mijn leven. De vriendschap met Hans bloedde helemaal dood toen ik de bedeesde zeepzieder in het vizier kreeg tijdens de Nacht van de Poëzie in Utrecht in 2018, maar het was vooral de alcohol die almaar donkerder en tirannieker zegevierde over mijn ellendige lage gemene corrupte egocentrische leven.
In juni 2020 liet ik me eindelijk opnemen in een ontwenningskliniek.

Na de ontwenningskuur heb ik me gestort op mijn proza, op de voormalige vrachtwagenchauffeur, op mijn bastaardhondjes, en op televisieprogramma’s over oude hobbelpaarden en jonge tanks, en op zalige hypnotiserende herhalingen van Full House.
Hans mailt me nog steeds. Ik beantwoord zijn mails niet meer.

Hans is wonderlijk. Hans is een sprookje en de heks kreeg hem niet te pakken.

Over de auteur

Delphine Lecompte