Gepubliceerd op: zaterdag 27 februari 2021

KP2: Zoentje XVII / Basium XVII

 


In de nieuwe serie Kamerpoëzie belicht Joop de Vries maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.

 

Zoentje XVII

Zoals een roosje blozen gaat in het purperen ochtendgloren,
             nadat het ‘s nachts besprenkeld werd met parelende dauw,
zo rood zien in de ochtend ook de lipjes van mijn liefje
             een lange nacht bevochtigd door mijn zoele zoenenkunst.
Want wit als sneeuw omkranst de glans van haar gezicht haar mondje,
             zoals een vuurrood bloempje in een blanke meisjeshand.
Zo gloeit een vroege kers ook tussen late bloesems blozend,
             wanneer het in een boom al zomer én nog lente lijkt.
Waarom moet ik zo pijnlijk vroeg jouw lakens al verlaten,
             net nu je mij jouw zoentjes geeft met zoveel vurigheid?
Ik hoop, mijn knappe meisje, dat je lipjes mooi rood blijven,
             totdat de stilte van de nacht mij terugbrengt naar jouw bed.
Maar snoepen ze intussen van de zoentjes van een ander,
            laat dan je mond net als mijn wangen witter zijn dan krijt.

 

De Vlaamse classicus Tom Ingelbrecht maakt in 2018 furore met zijn uit het Latijn vertaalde zoengedichten ‘Brugse Kussen’ van de 17e eeuwse humanist Janus Lernutius: een proeve van fraai ambachtelijk vertaalwerk elegant getooid in bloemrijk, vederlicht maar ontwend idioom. Tom Ingelbrecht Op ons verzoek heeft Ingelbrecht – zoals hij zelf zegt – een kakelvers, niet eerder gepubliceerd zoengedicht aangeleverd uit de ‘Basia’ van de jong overleden humanist en neo-classicus Janus Secundus (1511 – 1536). En ook nu is er weer sprake van een hogeschooltranslatie.

De vertaler geeft in het dagelijks leven klassieke talen in Roeselare, op gewijde grond nog wel. Zijn school staat namelijk op dezelfde plek en is in hetzelfde gebouw gehuisvest waar ooit dichters als Guido Gezelle en Hugo Verriest hun priesterstudie aanvingen: in het toenmalige katholieke juvenaat, het kleinseminarie van Roeselare.
Zoals elke classicus heeft Ingelbrecht literaire voorliefdes die hij vindt in de humanistische reisverslagen en Neolatijnse liefdespoëzie. Het laatantieke Grieks geniet eveneens zijn aandacht. Dat we geenszins met een modale vertaler te maken hebben, blijkt uit de keur aan prijzen en eervolle vermeldingen die hem eerder als literair vertaler ten deel zijn gevallen.

In het rijk met beeldspraak gestileerde vertaaldicht zijn drie fragmenten te herkennen. Allereerst is er de lofzang op het meisje wier schoonheid door de dichter uitzinnig wordt bezongen. Een euforie die haar climax bereikt in de meerduidige frase ‘Tale novum seris cerasum sub floribus ardet’: ‘Zo gloeit een vroege kers ook tussen late bloesems blozend’.
Dan, in het tweede fragment, voltrekt zich – nog vóór het luiden van de lauden – het smartelijk scheiden. Licht verwijt klinkt tussen de regels door. Waarom zo dralen en talmen als ‘het in een boom al zomer én nog lente lijkt’. Vervolgens is er in het derde fragment de vermaning vooral trouw te blijven en geen ander te behagen. Een speels spel en ontwende schikking van een gemaniëreerd en précieux taalvocabulaire. Immers, wie vermag te zeggen een meisje te minnen ‘wier glans van haar gezicht – wit als sneeuw – haar mondje omkranst zoals een vuurrood bloempje in een blanke meisjeshand?’

Tragisch is dat de schepper van Ingelbrechts vertaling, Janus Everaerts Secundus, slechts 25 jaar is geworden. Als knaap voelt hij zich al aangetrokken tot de klassieke talen. Zijn eerste Latijnse versjes schrijft hij als hij 10 jaar is. Janus Secundus Secundus is een Europeaan avant la lettre: geboren in Den Haag, verhuist het hele gezin Everaerts naar Mechelen, wordt hij gevormd in Bourges en is hij werkzaam in de hofhouding van de Aartsbisschop van het Spaanse Toledo. Uiteindelijk sterft hij uitgeput door malaria in een klooster in Doornik.

Ondanks dat hem een kort leven is beschoren, schrijft hij tijdens zijn verblijf in Spanje zijn beroemde ‘Basia’ die enkele jaren na zijn dood gepubliceerd worden. Als model in zijn kusgedichten staat vermoedelijk een muze, een gedroomd meisje, Neaera geheten. Zijn oeuvre omvat maar liefst 6000 verzen en bevat behalve zoengedichten ook klaagzangen, funeraire gedichten, bosliederen, brieven, odes en epigrammen.
Het zijn vooral de 19 zoengedichten die Secundus onsterfelijk hebben gemaakt en ertoe hebben bijgedragen dat hij een onwrikbare plaats heeft verworven in de literaire canon van de Lage Landen. Zelf zegt Ingelbrecht hierover: Janus Secundus toont in deze collectie van negentien zoengedichten zijn technische meesterschap in de virtuoze variatie van verspatronen en de sprankelende taal vol sensuele lettergrepen.
Als toelichting bij het vertaalde gedicht voegt Ingelbrecht toe: Het Latijnse gedicht is opgesteld in zeven elegische disticha, de combinatie van telkens een hexameter en een pentameter. Voor de Nederlandse vertaling werd gekozen voor ‘jambische zevenvoeters’ (zeven klemtonen), waarbij de metrische structuur van het origineel wordt nagebootst door de afwisseling van een ‘vrouwelijk’ (onbeklemtoond) en ‘mannelijk’ (beklemtoond) verseinde.

Wie meer van Ingelbrechts vertaalwerk kennis wil nemen, zij verwezen naar zijn eerder bij Uitgeverij P in Leuven gepubliceerde ‘Kussen uit Brugge’ en de uitgebreide recensie daarvan in het literaire magazine Meander.
Wij kijken alvast uit naar een nieuwe vertaalbundel van Tom Ingelbrecht.

Voor de klassiek geschoolde lezers en voor leraren klassieke talen is het Latijnse zoengedicht hieronder integraal weergegeven.

Basium XVII

Qualem purpureo diffundit mane colorem
            quae rosa nocturnis roribus immaduit;
matutina rubent Dominae sic oscula nostrae,
            basiolis, longa nocte, rigata meis:
quae circum facies niveo candore coronat,
            virginis ut violam cum tenet alba manus.
Tale novum seris cerasum sub floribus ardet,
            aestatemque et ver cum simul arbor habet.
Me miserum! quare, cum flagrantissima iungis
            oscula, de thalamo cogor abire tuo?
O, saltem labris serva hunc, formosa, ruborem,
            dum tibi me referet noctis opaca quies.
Si tamen interea cuiusquam basia carpent,
            illa meis fiant palliodora genis.

Over de auteur