Gepubliceerd op: zondag 17 januari 2021

Delphine Lecompte – Geen grot, geen fatsoen

 

Ik wil de vrouw van de maffiabaas zijn: juwelen, een stola, een huispriester, en hypocrisie
Maar ik wil ook de Bulgaarse laminaatverkoper zijn
Die zich na een lange werkdag onder een kale lamp verdiept in de machinaties van de fruitvlieg
En soms wil ik de necrofiele tegellegger zijn die zijn frustraties botviert op sponzen en fretten
Maar nooit wil ik de formidabele zadelmaker zijn verzwolgen en verstrikt
Door zijn plichten, zijn gezin, zijn fatsoen, zijn goede smaak, zijn angst, en zijn etiquette
In het paleis van de oude kruisboogschutter streel ik mijn honden
En neem ik af en toe een hap van een pannenkoek die op de zieke doch krachtige huid lijkt
Van een reptielenverzorger die de huid van zijn favoriete komodovaraan heeft aangenomen.

De grote hond is imbeciel en aanhankelijk
De kleine hond is intelligent en zelfstandig
Er is nijd tussen hen, maar de nijd wordt nooit Bijbels
Mijn moeder belt me op met haar ouderwetse telefoontoestel
Haar woorden zijn afgemeten en ik denk aan haar schaamlippen
Die ik nooit heb willen kneden, ze paradeerde graag naakt door het huis
Toen ik puber was en Maxime bleef logeren, hij was betoverd
En even later trok hij naar Nevada op zoek naar de dubbelgangster van mijn moeder.

Hij vond de dubbelgangster van mijn moeder, ze heette Martha
En werkte als levende verjaardagskaart in de woestijn om haar grote aantal welpen te onderhouden
Nevada klinkt mooi en bezwerend, maar Nevada is siroop, chantage, en levensgevaar
Maxime trachtte te verbroederen met een landmeter en een werkloze rodeoclown
Beiden hadden Cherokee-bloed, de landmeter pochte hierover naast benzinestations
En op een dag werd hij doodgeschoten door een verre neef van de uitvinder van de jojo
Of van een andere rage, de werkloze rodeoclown huilde op de schoot van Maxime
Het voelde ongemakkelijk aan en Maxime keerde terug naar mijn moeder.

Mijn moeder zegt: ‘Je was een raar kind; je hield van vliegrampen en van Ingres.
Ik heb mijn best gedaan. Ai!’
‘Wat gebeurt er?’
‘Ik stak mijn vinger in een vleesetende plant.’
‘Mama, ik heb afgelopen nacht je organen weggegeven aan een baggeraar en een dwergvrouwtje.’
‘Ze krijgen mijn organen niet; ik zal ze verdedigen met mijn spookhuistanden en met mijn assegaai.’
‘Het spijt me. Ik maak veel fouten ’s nachts. De baggeraar leek op de visboer van het Sloepenplein
Maar weker, verwijfder, pafferiger, valser, minder fier, minder zwijgzaam.’

Mijn moeder verbreekt de verbinding om pissebedden te doden
Met een mandoline en om daarna geesten op te roepen: Dostojevski en haar vader
Dat zijn de enige doden die naar haar luisteren, misschien vervelen ze zich daar
De oude kruisboogschutter vraagt of ik mee wil gaan naar de akeligste zeepwinkel
Van West-Vlaanderen om een lading zeep op te halen voor een pensioneringsfeest
Ik ga mee, de drugs zijn op en ik kan me niet concentreren op mijn gedichten
Zinloos die gedichten, grimmig en blasfemisch en troosteloos en verderfelijk.

Ik ben allicht jarig, ik ben voortdurend jarig
De zeepwinkel is allesbehalve akelig
De uitbater zegt dat lavendel de populairste geur blijft
Achter de struisvogelkwekerij van het Moldavische duivelskoppel
Halen we de zeepjes uit de kartonnen doos, de handen van de oude kruisboogschutter
Zijn klam en de zeepjes beginnen te schuimen
Maar het is niet feestelijk en hij huilt want zijn dochter is een razend kreng
En het is haar pensioneringsfeest, en nu zal ze enkel druiven en een prikbord krijgen.

We keren terug naar het paleis van de oude kruisboogschutter
Ik neem een bad maar ik was slechts mijn linkerzijde
Voorvoel ik een woningbrand? Een ongeluk? Een sterfgeval? Een geest? Een beroerte?
Ik denk aan de vleesetende plant van mijn moeder
Ik denk niet aan haar geslacht
Ze toonde me ooit een blote vrouw van Ingres en ze werd woest toen ik
Knielde voor de begeerlijke blok macht en passiviteit, die vrouw had langere haren dan zij.

Over de auteur

Delphine Lecompte