Gepubliceerd op: maandag 21 december 2020

EI 251: Ted Hughes – Kraai en de zee

 

Hij probeerde de zee te negeren
Maar die was groter dan de dood, zoals ze groter was dan het leven.

Hij probeerde met de zee te praten
Maar zijn brein sluiterde en zijn ogen vertrokken ervan als van open vuur.

Hij probeerde de zee te mogen
Maar die schudde hem af – zoals een dood ding je afschudt.

Hij probeerde de zee te haten
Maar voelde zich meteen een gore droge konijnenkeutel op de winderige klif.

Hij probeerde gewoon met de zee in de wereld te zijn
Maar zijn longen waren niet diep genoeg

En zijn opgewekte bloed sloeg eraf
Als een waterdruppel van een heet fornuis.

Uiteindelijk

Draaide hij zich om en stapte hij weg van de zee

Zoals een gekruisigd man zich niet kan bewegen.

 
____
Dit is het 162e gedicht van de 192 gedichten in de bundel Kraai. We weten dan al veel van ‘Kraai en de zee’. Ook weten we, nog voor we de bundel openslaan, veel van Ted Hughes, de schepper van Kraai. En we weten ook dat er in de secundaire literatuur al veel over hem en Kraai is geschreven. Ook door Ted Hughes zelf. Onder andere in zijn brieven. In Ik wil nooit vergeven worden (Privé-Domein) zijn een aantal inzichtgevende opmerkingen over Kraai te vinden.

Zo zou Kraai een personage zijn in de nachtmerrie van God, zoals deze wordt verteld door de moeder van God (door God ooit levend begraven en vergeten). In haar verhaal raakt Kraai zo ontmoedigd dat hij dood wil. Maar God kan hem niet verslaan. Kraai eet God op, bevrijdt de moeder van God, en trouwt met haar als ze is veranderd in de gedaante van haar dochter.
Ook zou Kraai afdalen naar de hel om zijn dubbelganger op te eten, en het geraamte van zijn bruid, dat her en der is verspreid over de wereld, terug te vinden. Maar zijn pogingen haar weer in elkaar te zetten en mét haar de hel te verlaten falen.
Of Kraai zou een weerzinwekkend schepsel zijn, een omen, of een totem van Engeland, of Morrigu, de godin van de dood enz…
Hughes geeft aan dat hij heeft geprobeerd om in Kraai alles te schrappen waarop de gemiddelde Pavlov-criticus weet hoe hij moet reageren. Kraai, schrijft hij, moet je met een meevoelende fantasie lezen.

Dan, mijn eerste indruk bij dit vertaalde gedicht.
Waarom juist dit gedicht gekozen uit fraaiere blauwdrukken, trajectkaarten en verkenningen? Het gedicht komt mij na, Kraai en ik! Ook ik probeer. Net als Kraai herken ik welhaast fysiek de andere werkwoorden in het gedicht – ‘negeren’, ‘praten’, ‘mogen’, enz. met de bijbehorende effecten. Het magische erin vervat komt zo nabij de regel “Isis eet het hart van Osiris en Osiris eet haar hart” uit mijn favoriete gedicht Isis en Osiris van Robert Musil. Maar mijn werkelijke reden begint bij de eerste versregel uit de vijfde strofe: ‘Hij probeerde gewoon met de zee in de wereld te zijn’.

Kraai met zijn weldoordacht masker, laat ik zeggen, van een intellectueel in een paradoxale realiteit, ‘probeerde gewoon mét de zee in de wereld te zijn’. Hij probeerde. Hoe en hoe vaak blijft ongewis. Uit de andere gedichten in de bundel weet ik iets van Kraai en van zijn zee. Van de wereld (de wereld van Kraai én de zee) weet ik niets. De wereld komt alleen in deze versregel voor. Welke wereld ik me daarbij moet voorstellen laat de dichter aan mij over, niet aan Kraai.

En dan ook nog het woordje ‘gewoon’ – gewoon met wie of wat dan ook in de wereld willen zijn, eenvoudig… zonder spoken… voor mij wordt Kraai met dit ene woord van vlees en bloed, het jagen moe. Gewoon zijn als ik. Gewoon met wat er is in de wereld – wat ik zie, denk, dicht. Gewoon in de wereld van mythologie, van rocket science, van het zeepbellige universum, van de transcendente zee… Kraai probeerde gewoon in de wereld te zijn mét de zee, maar dat mislukte telkens met een reden omkleed. Wie geeft mij die reden? Wie zegt mij eigenlijk dat de zee ‘groter’ is dan …, wie zegt mij dat ‘zijn brein sluiterde’ …., enz.? Het is niet Kraai. Hughes, de Hand van Ted…?

Uiteindelijk. Een besluit. Kraai keerde om en stapte weg, maar wel ‘zoals een gekruisigd man zich niet kan bewegen’ – de man: de dode dief, de dode moordenaar, de dode verlosser op een berg? Waarom dit besluit? Uitputting, teleurstelling, vertwijfeling? Het is aan de fantasie van de meevoelende lezer. Ik denk dat Kraai na zijn besluit de zee nog steeds niet kan negeren (weg van de zee én niet kunnen bewegen = sur place). Zo komt de zee mij voor als het onvermijdelijke niet te negeren minnetje tegenover het plusje. Alsof ‘Kraai en de zee’ een cirkelgedicht is, dat oneindig rondtollend molentje op mijn computer, de benauwenis van Gracchus de jager van Kafka: “Ik ben hier, meer weet ik niet, meer kan ik niet doen. Mijn bootje heeft geen roer, het vaart met de wind mee die in de diepste regionen des doods waait.”

‘Hij probeerde gewoon met de zee in de wereld te zijn’ is bij Hughes: “He tried just being in the same world as the sea.” De Kraai bij Hughes probeerde in dezelfde wereld te zijn áls de zee. Zo ontstaat er een existentiële spanning tussen origineel en vertaling:

in de wereld (vert.)       in dezelfde wereld (T.H.)

met de zee (vert.)         als de zee (T.H.)

De spanning wordt met name gevoed door de tweede versregel in de eerste strofe. Voor Kraai is de
zee niet zozeer die zoute blauwe, maar dat wat groter is dan de dood groter dan het leven.
Deze zee lijkt op hoe Anselmus van Canterbury God definieerde als datgene waarboven niet groter gedacht kan worden.

Kraai (alleen bij Hughes) probeerde zich te verenigen met het mystieke, het transcedente van de zee. Maar elke poging benam zijn adem. Gaf hij dáárom zijn toenadering tot haar dragende dogma op? Was het vertwijfeling, waren alle mogelijke manieren uitgeput? “As a crucified man cannot move” stopte hij met zoeken naar een verbinding met het transcendente. Zou hij niet dat doen, hij zou een gekruisigde worden. Maar er was nog het opgewekte bloed, dit spattend teken van leef!
Kraai (in de vertaling) wist al van de mystieke zee, negeerde haar, bleef lang zonder interesse in haar. Wat nu het moment bepaalde dat hij toch meer wilde weten, en ook waarom, staat niet in dit gedicht. Laat het nieuwsgier zijn. Maar hij vond in haar een onwillige onsympathieke tegenover. Waarom contact blijven zoeken als zij zo moeilijk doet, waarom blijven proberen? Hij keerde zich van haar af, zoals de zee bij hem deed: een dood ding afschudden. Uiteindelijk was het genoeg. Hij haalde zijn schouders op en draaide weg. Even onverschillig tegenover de zee als hij al eerder was.

Zo gelezen komt deze Kraai bij mij over als een moderne, seculiere Kraai. Kraai bij Hughes heeft de aporie, de vertwijfeling doorgemaakt. Hij is er door getekend, blijvend en niet onverschillig.
Dit is waar het gedicht in vertaling mij als zoekende en proberende lezer toe uitnodigde. Dit is waar het voor mij in de poëzie om gaat. De subtiele spanning tussen het origineel en de vertaling heb ik ervaren als positief.

 

 

Kraai
Uit het Leven en de Liederen van de Kraai
Ted Hughes
Vertaling: Daan Doesborgh
Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN 9789403106311

 

 

 

 

Over de auteur

Harry van Doveren

- publiceerde essays en vertalingen (o.a. van Robert Musil en Paul Valery) in diverse tijdschriften. Zijn eigen poëzie verscheen bij de uitgeverijen IJzer en Opwenteling. Zijn meest recente bundel, Wereldgemiddelde, verscheen bij Uitgeverij crU.