Gepubliceerd op: donderdag 31 december 2020

Delphine Lecompte – De laatste koala zal de eerste zijn

 

De kreupele apotheker kijkt misprijzend naar de flamingo’s,
De sombere onderwaterlasser probeert de stoïsche boa te lokken
Naar zijn hand achter glas, en de incestueuze imker spot met de laatste koala ter wereld
In de dierentuin zijn alle mensen slecht, behalve de analfabetische jongenshoer en ik
Wij zijn hier toevallig, wij zijn hier om de verwerpelijke dierentuinbezoekers te bestelen
In het nachtdierenverblijf storten we onze buit uit op de grond:
Een zakhorloge, een klungelsmurf, een Azteekse talisman, een vuurtoren,
Een citatenboekje, een tandartsenspiegel, een recept voor tiramisu, een strip ontstekingsremmers
Voor schimmelpaarden, een strip ontstekingsremmers voor katholieke volleybalspelers,
Een vals sonnet over Arcadië, een bronzen pooier met bloemkooloren, een passer,
Een kreeftenschaar, een gedetailleerde kaart van Oslo, een condoom, en een krasbiljet.

Ik kras maar we blijven arm
Ik geef het condoom aan een veelgeplaagde ezeldrijver zonder aambeien
Ik geef de gedetailleerde kaart van Oslo aan een melancholische baggeraar
Wiens onbeduidende moeder al 30 jaar lang huilt omdat ze er werd verkracht in een duikboot
Door een walvisvaarder met nekwratten, het is nog niet te laat om de moeder te wreken
Ik geef de kreeftenschaar aan een sluwe pelsjager die me verbijsterd aankijkt
Alsof hij nog nooit een kreeftenschaar van een wildvreemde kleptomaan heeft ontvangen
Ik geef de passer aan een verwaande hondenkapster die zichzelf meermaals prikt
Maar niemand valt in slaap en ze gooit de passer kwaad naar het hoofd van de luiaardverzorger
Ik rust uit, ik drink rum en maak zonder schaamte een Driekoningentaart soldaat.

De analfabetische jongenshoer neemt het uitdelen over:
Hij geeft de bronzen pooier met bloemkooloren per ongeluk
Aan de persoon van wie we de bronzen pooier met bloemkooloren hebben gestolen:
Een Oekraïense matrassenmogol met een kin vol littekens en een kraag vol béarnaisesaus
Hij geeft het valse sonnet over Arcadië aan een naïeve pistoolschilder
Die gniffelt en zegt: ‘Ik ken dit valse sonnet; het werd geschreven door wijlen mijn schoonmoeder.
Arcadië is voor mij de bassin waarin mijn geadopteerde zeekoe mikado speelt met mijn vermicelli.’
Hij geeft de strip ontstekingsremmers voor katholieke volleybalspelers aan een dromerige
Slangenbezweerder, hij geeft de strip ontstekingsremmers voor schimmelpaarden
Aan een moralistische kiwisorteerder met een geborduurde tarantula op zijn trui
De analfabetische jongenshoer rust uit, hij drinkt een glas karnemelk en zet trots doch
Onverdiend een kroon op zijn hoofd, maar hij wordt noch Midas noch nobel.

Het is opnieuw aan mij: ik geef het recept voor tiramisu aan een beiaardier
Die zijn leven liever had gewijd aan windmolens, aan Indonesische sprookjes,
En aan minderjarige fagottisten met onafscheidelijke kogelvingergekko’s
Ik geef de tandartsenspiegel aan een verdorven sponzenverkoper
Die twintig jaar geleden in de eerste parenclub van De Panne amok heeft gemaakt
Met vier nertsenkadavers en vijf slagroomtaarten, en die uiteindelijk werd buitengesmeten
Door mijn grootvader zaliger, ik geef het citatenboekje aan een verlegen schuldbemiddelaar
Met schildpadvoer in zijn borstzak en a chip on his shoulder,
Ik geef, ik geef, ik geef (we stalen, we stalen, we stalen)
Ik geef de vuurtoren aan een ongeïnspireerde oogarts
Ik geef de Azteekse talisman aan een naargeestige bontmagnaat
Die neerbuigend snuift en straks in een steegje zal doodgeslagen worden
Door een roedel lijmverslaafde poppenkastspelers, lafhartige acrobaten, en pompeuze steltlopers.

De analfabetische jongenshoer zegt streng en gedecideerd: ‘We houden de klungelsmurf
En het zakhorloge voor onszelf.’
We verlaten gekweld en misnoegd de vervloekte dierentuin vol gegijzelde tovercreaturen
De laatste koala pleegt zelfmoord in zijn voederbak die vroeger dienstdeed
Als slaapplek voor zijn moeder, hij had een uitstekende devote moeder
Ik ook, de analfabetische jongenshoer niet
Zijn moeder leende hem te pas en te onpas uit
Aan vraatzuchtige buiksprekers en sadistische hoefsmeden,
Soms zelfs aan compleet onvoorspelbare kraanmachinisten en struisvogelkwekers, schandalig.

We nemen zwijgend de bus naar de Vagevuurwijk
De analfabetische jongenshoer heeft er een afspraak met een klant
Ik niet, ik wacht op hem
Ik steek mezelf in brand
Een gepensioneerde stierenvechter en een zwembadopzichter met een dagje vrijaf
Blussen me heroïsch, ik zeg: ‘Had me toch laten branden, monsters!’
Ze steken me opnieuw in brand, de avond valt en de mooiste ster is
Niemand minder dan Mozart in zijn baldadige scatologische fase.

Over de auteur

Delphine Lecompte