Gepubliceerd op: donderdag 12 november 2020

Delphine Lecompte – De rouwende bergbeklimmer en de echte gekken

 

Alle kinderen in Gent kenden de zotten die bij het stadsdecor hoorden: Frans met de muntstukken geplakt op zijn kale schedel, de obscene heks Tsjoeleboele die iedereen uitschold op commando, Gerard die beweerde dat hij Fred Astaire was maar eruitzag als Karl Marx, de voorgoed schizofrene Danny die vroeger als valkenier in een Bulgaars pretpark had gewerkt en nu rare deuntjes speelde op een balalaika, Maurice met de schriele steeds ontblote borst vol littekens en de pluchen pinguïns aan zijn riem, de bloemenverkoper met de geamputeerde benen, schele Magda die rondliep met een emmer vol dode palingen, de ex-stierenvechter die een zilverpapieren kroon droeg en ‘Altijd is Kortjakje ziek’ zong…

Stuk voor stuk sympathieke flamboyante kleurrijke schreeuwerige gekken die ons geen angst inboezemden, wel integendeel: we hoopten hen tegen te komen, het waren de enige volwassenen die nog pret leken te beleven. De enige volwassenen die het volwassendom minder afschrikwekkend, ernstig, en intimiderend deden voorkomen. Ze voerden hun kunstjes op en ik vermoed dat sommigen zich gekker voordeden dan ze waren om ons, de kinderen, te vermaken of te charmeren.
En wij, de kinderen, hadden door dat de Gentse zotten veel dichter stonden bij Jezus en de apostelen dan de dorre gierige krakerige priester die naar de klas kwam om het leven van Jezus en de apostelen moralistisch en klinisch uit de doeken te doen.

Maar er was ook een zot in Gent waar alle kinderen schrik voor hadden. Hij was ongenaakbaar en ijzingwekkend. Je mocht niet naar hem kijken, niet tegen hem spreken: de rouwende bergbeklimmer.
Hij was volledig uitgerust om de top van de Mount Everest te bereiken: gigantische bergschoenen met ijzeren pinnen, een grote onverwoestbare rugzak vol blikken witte bonen in tomatensaus, reptielachtige bundels touw om zijn schouder, een robuuste zaklamp, en een pikhouweel. Een pikhouweel op de Vrijdagmarkt! Zijn haar was geschoren en zijn ogen rusten altijd op een denkbeeldige bergpiek in de verte.
Of waren ze in zichzelf gekeerd?

Zijn verhaal was niet eens tragisch, tenminste als kind scheen het me amper een reden om zot te worden: zijn vrouw was gestorven aan kanker. Een kort sterfbed bovendien. Ze waren beiden tekenleraars in dezelfde school toen de diagnose kwam. De transformatie van tekenleraar naar rouwende bergbeklimmer begon al aan het sterfbed van zijn vrouw. De stervende vrouw keek meewarig naar de sullige tekenleraar die zwijgzame alpinist werd. Maar ze veroordeelde hem niet.

Telkens ik de rouwende bergbeklimmer tegenkwam op stap met mijn moeder smolt ze, en daarna zei ze verontwaardigd: ‘Jouw vader zou jubelen mocht ik de pijp aan Maarten geven, en Wilfried die zou een maand in zijn bed blijven liggen met duizend nougatrepen en zich daarna herpakken.’
Ze had het bij het rechte eind; mijn vader zou zeker en vast jubelen, en mijn stiefvader Wilfried zou zich herpakken met de Zuid-Koreaanse badmintonspeelster die hij ooit in een camping in De Haan had gekust als achtjarige en met wie hij nog steeds correspondeerde.
Alle volwassen vrouwen waren vertederd door de rouwende bergbeklimmer en alle volwassen mannen haatten hem omdat hij veel te gepassioneerd en te theatraal treurde. De kinderen liepen van hem weg. We daagden elkaar uit: als je hem aanraakt krijg je een schaakpaard, als je hem aan het brullen krijgt geef ik je mijn landschildpad.

Maar we durfden hem niet aan te raken en we kregen hem niet aan het praten, laat staan aan het brullen. Ik zag hem twee keer uit zijn rol: de eerste keer toen hij een telescoopvis kocht voor zijn nichtje op de markt, de tweede keer toen hij een sportkrant las in de wachtzaal van het station en de pikhouweel op de grond had gelegd. Toen ik het vertelde aan mijn moeder kreeg ik slaag, toen ik het vertelde aan mijn vader kocht hij een gitaar voor mij. Ik had helaas geen talent.

Op een dag was de rouwende bergbeklimmer weg. Hadden we hem verzonnen? We hadden hem alleszins grotendeels zelf ingevuld, een biografie voor hem in elkaar geflanst, zijn rouwproces aangedikt en ziekelijk grotesk gemaakt. De andere zotten bleven hun kunstjes opvoeren en toen we pubers waren gaven we ze regelmatig geld om de lessen fysica en aardrijkskunde op stelten te komen zetten.
Nog later moesten we een keuze maken: sluiten we ons aan bij de gekken of worden we holle corrupte tandartsen, hypochondrische fietsenmakers, en zielige laminaatverkopers achter lelijke bakstenen en kneuterige tochthonden?

 

Over de auteur

Delphine Lecompte