Gepubliceerd op: donderdag 8 oktober 2020

K&G: Kuikens

 

Plots stond er een doos met kuikens onder een rode lamp in de zonovergoten kamer waar de kunstboeken werden bewaard.

De ruggen van de boeken waren onleesbaar geworden door de zon. Enkel Jasper Johns had standgehouden.
Ik was 22 en de kuikens waren met z’n vieren. Ik woonde tijdelijk opnieuw bij mijn moeder en stiefvader. Ik werkte in de zuivelafdeling van de supermarkt om de hoek. Elke dag keek ik reikhalzend uit naar de doos kuikens. Ze groeiden ontzettend traag. Veel trager dan Zoë die in een mum van tijd een beestachtige, baldadige, ficus molesterende peuter was geworden. Toen ze een slapende baby met gebalde vuisten was had ik haar eens uit de wieg getild om haar mee te nemen naar Lyon en daar een nieuw leven op te bouwen. Mijn stiefvader had me betrapt en hij had zich afgereageerd op Zoë.

De kuikens waren alle vier kerngezond; er zat geen schriel angstig mismaakt sukkelaartje tussen. Ze waren hartelijk, slapstickachtig lomp, en nieuwsgierig. Ik was zacht met de kuikens, maar ik vergat nooit dat ik ze in een oogwenk kon doodknijpen.
Over psychopaten had ik gelezen dat ze in hun kindertijd brandjes stichtten en kleine dieren mishandelden. Ik had als kind een paar dekens en een heleboel prullenmanden in brand gestoken, en ik dacht: als ik deze grens overschrijd dan kan ik nooit meer terugkeren naar de goede kant; de kant van Zoë en van mijn collega Christine.

Christine was verantwoordelijk voor de flan en de fruityoghurts, en soms wanneer Sandra met vakantie was nam ze ook de botervlootjes voor haar rekening. Christine wist veel over Egypte, vooral over Anubis. Ze was bang van paarden, maar enkel van tekenfilmpaarden.
Zoë en Christine waren geruststellende bakens in mijn leven. Zoë omdat ze nog betrouwbaar kon worden, en Christine omdat ze al vele jaren betrouwbaar was. Ze waren blond en vaak bezig met tooi en schmink. De tooi en schmink van henzelf, maar ook die van anderen; turkooizen oogschaduw en portemonnees met pailletten voor iedereen!

De kuikens werden kippen en dus werden ze verbannen naar het achterste gedeelte van de verwilderde tuin. Ik verloor mijn interesse. Mijn stiefvader raapte de eieren op. Mijn moeder zei dat hij zich opnieuw kind waande in Merelbeke tijdens de tweede wereldoorlog.
Ik werd overgeplaatst naar de droge voeding. Vreselijk; de chef was een bullenbak die lachte met mijn traagheid en dromerigheid op de ladder. Ik schreef verhaaltjes in mijn vrije tijd, maar door die verhaaltjes voelde ik me nog meer een buitenstaander, een gestoorde geest, een ziekelijk schepsel.
Ik snakte naar een warm mannenlijf. Of naar een vriendin, iemand om mee te spreken over de striphelden en over de minigolfterreinen van onze kindertijd. Maar ik wilde toch vooral gestreeld worden.

Ik verhuisde en verloor Zoë. Wanneer ik het schrijven beu was at ik chips en keek ik naar horrorfilms. Ik woonde in een kleine zolderkamer die ik huurde van een paranoïde ex-zwembadopzichter die ik enkele jaren voordien had leren kennen in de psychiatrie. Hij was lief maar knettergek, hij verzamelde smurfen en hij hield van Paul Simon. Of haatte hij Paul Simon? Ik ben het vergeten.

Ik werd ontslagen. Het schrijven ging verder. Seks kwam op mijn pad: een achterlijke bakkersknecht, een Marokkaanse touwslager, pooier Benny, een analfabetisch straatboefje, een zwarte spreadsheettovenaar uit Sheffield, de oude kruisboogschutter lange tijd.
Mijn moeder en mijn stiefvader gingen uit elkaar. Ik weet niet wat ze met de kippen hebben gedaan.

 

Over de auteur

Delphine Lecompte