Gepubliceerd op: donderdag 1 oktober 2020

K&G: Ik en Freya aan de schoolpoort

 

Freya en ik, we waren verlegen dwarsliggers en roekeloze denkers. Awkward, alletwee. Niet heel lelijk, maar absoluut niet gegeerd. Freya droeg een bril en lompe bottines. Ik was struis, en mijn delicate gezichtsstructuur werd tenietgedaan door een grote neus.
Freya was goed in de wetenschappelijke vakken, en ik had als enige in de familie het talent ontwikkeld om te scoren tijdens een balspel: dribbel, dribbel, dribbel… BAM!
We waren dertien en constant geil. Op de speelplaats keken we naar de zestienjarige meisjes (sluwe geraffineerde goddelijke vrouwen in petroleumblauwe minirokjes en een T-shirt van The Cure) die de liefde al hadden bedreven. Je kon het zien aan hun zelfverzekerde armgebaren en hun geheimzinnige glimlach wanneer een hijgende uitslover van hun leeftijd rond hen cirkelde op de brommer van zijn oudere broer.

De strafste van al die zestienjarige wonderen was het meisje Muis. Haar vader was een impresario en een belegger. Dat hem een gevangenisstraf boven het hoofd hing maakte hem (en zijn dochter) nog aantrekkelijker. De moeder van Muis was de Bretoense erfgename van een sloepenimperium. Ze sprak nooit, tenzij ze geld nodig had voor foulards en boter. Ze verzamelde aapjes en dikke boeddha’s met ratten in hun gewaden als gelukbrengers of raadgevers.
Er deed een verhaal over Muis de ronde: ze had de liefde bedreven met haar vriendje (de mooiste en populairste skaterjongen van de school) in het ouderlijke bed toen haar maandstonden doorbraken en de ganse kamer overspoelden. Dit had de twee niet tegengehouden, wel integendeel: ze werden nog driftiger en hitsiger, en het bloed drong in de houten vloer.
Het was Poe, het was Elm Street, het was de zachtste porno ter wereld.

Omdat Freya reeds enkele malen had gemenstrueerd trok ze het verhaal in twijfel. Voor mij was het maandelijkse bloeden van de vrouw nog mythisch en heilig en sjamanistisch en wild en dierlijk en primitief. Ik vergeet nooit de donderdag dat ik eindelijk aan de beurt was. Het was zalig en hoe passend dat mijn merk van maandverbanden Regina heette. Het was zalig maar het was tegelijkertijd ontnuchterend bescheiden. Weinig. De tweede keer probeerde ik het bloed op te vangen met het uitneembare ijskastcompartiment waarin je eieren kan plaatsen. Slechts drie eieren moesten plaats ruimen voor mijn bloed. Maar ik dacht dat het aan mijn uniek walgelijke lijf lag en ik bleef het verhaal over Muis en de houten vloer geloofwaardig vinden.

Een beetje later kreeg ik straf omdat ik ’s middags in de refter een warme maaltijd had gegeten zonder ingevuld maaltijdbonnetje. Ik moest als straf een tekst schrijven over het maaltijdbonnetje. Ik maakte er een kolderiek gedicht van. Alle gestraften zaten samen in een lokaal. Alle leeftijden. De nimfen en de gedrochten tezamen gegooid. Er ontstond rumoer, gegrinnik, een bulderlach hier en daar; iemand was ervandoor gegaan met mijn gedicht en het viel in de smaak. Het rijmde en het was brutaal. Ook Muis kreeg het te zien. Ze toonde het aan haar vader en de volgende dag kwam ze op me af, hier en daar adorerende fans van zich afschuddend, en vertelde ze me dat haar vader de tekst fantastisch vond. En zij dus ook, want ze waren twee handen op een buik (zelfs het bloed in de houten vloer had ze hem toevertrouwd).

Een week lang werd ik graag gezien door mijn klasgenoten. En zelfs de hogere klassen hadden even ontzag voor mij.
Maar toen werd er iemand neergestoken, en mijn gedicht over het maaltijdbonnetje werd rap vergeten.

 

Over de auteur

Delphine Lecompte