Gepubliceerd op: donderdag 29 oktober 2020

K&G: Franky Loverboy

 

In mijn straat woont een keurig geklede man met een blind melkachtig oog en een fiets waar hij goed voor zorgt en waar hij zich deels mee identificeert. Toen ik hem nog niet kende was ik er zeker van dat hij weduwnaar was en een hoge functie had bij een arbeidsbemiddelingsbureau. Maar toen kreeg ik honden (geen bevalling, ik adopteerde ze) en Franky gaf mijn honden koekjes telkens ik voorbij zijn huis passeerde. Hij vroeg me om binnen te komen, maar ik hield de boot lang af.

Twee jaar geleden ging ik dan toch voor het eerst naar binnen. Ik was toen constant dronken en het kon me niet veel schelen wat er in het huis van Franky Loverboy zou gebeuren. Er gebeurde niet veel. Ik kreeg pils van een bekend merk en mijn honden kregen blokjes salami. Franky Loverboy dronk mee. Op de televisie zongen smartlapzangers over hartzeer en vakantieliefjes. Franky vertelde me dat hij de bijnaam Loverboy in café Rozenbrouw had gekregen. Franky had nooit een vrouw gehad; het was dus een pesterige bijnaam bedoeld om het mes in de wonde te duwen. Nochtans was Franky hoffelijk, elegant, en goedlachs. Het verwonderde mij dat hij er nooit was in geslaagd de vrouwen aan zijn vingers te rijgen. Maar wellicht was de drank altijd belangrijker geweest.

De volgende dag belde ik aan en we dronken opnieuw pilsjes van een bekend merk en we luisterden naar andere smartlapzangers in de grote zetel omringd door kermistijgers en mascottebeertjes van opgedoekte verzekeringsbedrijven en nog steeds heersende benzinestationketens. Het was warm en gezellig bij Franky. Er was geen seksuele spanning en ik vermoedde dat Franky’s hersenen al aangetast waren door Wernicke-Korsakov. Maar dat kon de pret niet drukken.
Franky vroeg niet hoe of waarvan ik leefde. Ik was dankbaar, want mijn leven was vals en saai. Hij vertelde over zijn eigen leven. Zijn eigen leven was altijd eerlijk en christelijk geweest. Hij had twee jaar als tandtechnicus gewerkt, maar het was te stresserend geweest. Niettemin was dit het hoogtepunt geweest van zijn leven en hij toonde me met trots het enige gebit dat hij had geboetseerd. Het stond in de vitrinekast tussen een souvenirbord van Lausanne en de trouwfoto van zijn ouders zaliger. Ik zei: ‘Knap.’ En ik vond het ook echt knap. Ik kon me ook voorstellen dat de nette Franky met de glanzende achteruit gekamde haren en de mooie onberispelijke handen een uitstekende plichtsbewuste tandtechnicus was geweest.

Maar na die twee jaren in een kil labo kreeg hij een job aangeboden als klusjesman in het verzorgingstehuis om de hoek, en dat was op zijn lijf geschreven. Om 5 uur ’s ochtends kwam hij aan, dan maakte hij koffie voor de bejaardenverzorgsters en de poetsvrouwen. Verder mocht iedereen alles aan hem vragen: een lekkende kraan, een badkamer die geschilderd moest worden, soepbedeling, incontinentiemateriaal inventariseren, ganzenborden herstellen, een petanquebaan installeren, de dolende Isidoor zachtjes naar zijn kamer begeleiden en fixeren, de boilers regelen, archiefkasten maken, uitstapjes naar Blankenberge organiseren… Franky Loverboy hield van zijn werk, werd geplaagd, werd verdragen, en hij was altijd degene die schoorvoetend het gebouw verliet wanneer het nachtpersoneel hem aanmaande naar huis te gaan.
Melancholisch, verweesd, verloren. Thuis was niets. Thuis was Franky eenzaam en ziek.
Er was even een vrouw, maar na twee weken vertrok ze naar Malta en liet ze haar chihuahua achter bij Franky. Hij hield van het hondje maar kon niet voorkomen dat het een moeilijk te behandelen schildklieraandoening kreeg en stierf. Franky hield van iedereen in het verzorgingstehuis, behalve van zijn baas ‘rotte Mus’ die hem te vroeg met pensioen stuurde.

Sindsdien: café Rozenbrouw, smartlappen, pils, de fiets, en verveling.
En toen werd ook ik in de mix gegooid. Ik was allesbehalve ‘a breath of fresh air.’ Mijn drankmisbruik liep de spuigaten uit toen ik Franky’s woning voor het eerst betrad, en ik was vaak misselijk, korzelig, en angstig. Soms zelfs panisch. Maar dat gaf niet; ik was een klankbord voor Franky. En ik heb altijd mijn uiterste best gedaan om alles te onthouden wat hij me vertelde. Vooral omdat ik hoopte dat er op een dag eindelijk eens lijken uit de kast zouden vallen.
Dat gebeurde niet; er was een koele zus die elke zaterdag mopperend drie kratten pils, hondenkoekjes, en salamiworsten naar hem bracht. Er was een ex-collega die soms op bezoek kwam en Franky uitlachte omdat Franky zo lyrisch en loyaal was gebleven ten opzichte van het verzorgingstehuis.
En dat was alles. Dat was het netwerk dat zelf met moeite zijn kop boven water hield.

Honderd dagen geleden ben ik voor het laatst binnengegaan bij Franky Loverboy. Ik dronk mijn laatste twee biertjes, maar dat wist ik toen nog niet. Ik wist wel al dat ik dat ik me heel slecht voelde en dat ik dringend iets moest doen aan mijn drankmisbruik.
Ik kokhalsde en zweette.
Ik ging naar huis en werd almaar zieker. De nacht was hels. Mijn mond was kurkdroog en de oude kruisboogschutter had al mijn flessen wijn leeggegoten. Ik dwaalde de ganse nacht rond en hallucineerde zelfs een beetje: een giraf, een zeppelin, en een Russische koetsier.
De volgende dag liet ik me opnemen in een ontwenningskliniek.
Na drie weken keerde ik terug naar mijn huis, mijn straat. Franky Loverboy vroeg me niet meer binnen, maar hij bleef koekjes geven aan mijn honden. En dat doet hij nog steeds.

 

Over de auteur

Delphine Lecompte