Gepubliceerd op: donderdag 15 oktober 2020

K&G: De ontslagen kraanmachinist

 

Daar heb je Ronny, een boertig enigma. Als dat geen oxymoron is.

Ik voer hem vaak op in mijn gedichten, als het personage ‘de ontslagen kraanmachinist’.
Ik weet niet hoe lang hij die job heeft volgehouden. Hij praat niet graag over zijn verleden als kraanmachinist. Ronny leest veel en wil intellectueel worden. Hij nam ontslag als kraanmachinist om te solliciteren bij de regionale krant, maar ze wilden hem niet. De bibliotheek en de orthopedische hulpmiddelenwinkel wilden hem evenmin. In het vogelopvangcentrum trapte hij het af na twee dagen, en de aardbeiserre wilde hij geen kans geven; te min. Maar sinds vorige maand mag hij studietoezicht doen in een middelbare school om de hoek. Hij geilt ostentatief op de pruilende pubermeisjes met hun vals puriteinse kniesokken en hun donzige oorschelpen.

Hij woont in de Annuntiatenstraat, samen met zijn ravissante lesbische dochter die ik nog nooit te zien kreeg. Ze studeert fotografie. De vrouw van Ronny liep weg naar een gehucht in Nevada om zich daar aan te sluiten bij een vrolijke sekte. Ik begrijp die vrouw; Ronny is allesbehalve vrolijk. Ronny is eigenwijs, nors, en combattief. Hij is tevens koppig en rigide. Een onaangename man in feite.

Zes jaar geleden sprak hij me voor het eerst aan. Hij had mijn debuutbundel gelezen en goed gevonden. Zodanig goed dat hij de dichtbundel had verdedigd toen een gepensioneerde leerkracht Nederlands hem met de grond had gelijkgemaakt in herberg De Wellustige Miereneter.
Ik dacht toen: ‘Dat wil ik niet weten.’ Maar de kennis dat mijn bundel werd verguisd door minstens 1 persoon was er, en een tijdje heeft het aan me gevreten. Ik weet niet waarom. Misschien omdat ik mezelf had willen verdedigen. Of omdat ik ervan overtuigd was dat Ronny erin geslaagd was die gepensioneerde ex-leraar Nederlands nog meer te doen walgen van mijn bundel.

Ronny komt soms luisteren naar mijn poëzievoordrachten. Achteraf heeft hij altijd veel kritiek; ik was te nerveus, te gehaast, te lacherig, te oppervlakkig…
Na één van mijn poëzievoordrachten ontmoette hij mijn moeder. In de tuin van het Guido Gezellemuseum nota bene. Hij noemde mijn moeder ‘een revelatie, zo slim en sprankelend en geestig.’ Hij was even smoorverliefd, maar zij vond hem een zielige gefrustreerde betweter. Niettemin liet ze zich trakteren door Ronny in een bescheiden pizzeria. Ze spraken over de Honderdjarige Oorlog, over Gerard Reve, over Marie Curie, over de Vlaamse Primitieven, en over mijn alcoholmisbruik.

Vorige week zag ik Ronny waggelen op zijn fiets vlakbij zijn huis en ik dook als een mensenschuwe onnozelaar achter een auto. Ik wachtte tot de kust veilig was. Soms maak ik wandelingen met Ronny, maar het is altijd een corvee. Of mooier gezegd: een christelijke daad. Ronny doet steeds alsof zijn leven over rozen gaat, terwijl het voor iedereen duidelijk is dat niemand bitterder en eenzamer is dan hij.

De lokroep van de drank kent hij niet, maar hij propt zich vol kazen en notenbroden. En sinds kort heeft hij hummus leren kennen, dankzij zijn dochter die veganistisch is. Maar hij gaat minstens twee keer per week naar de frituur in de Vlamingdam en daar eet hij: bitterballen, kippenvleugeltjes, drie artisanale garnaalkroketten, en een grote bak frieten met mayonaise en stoofvleessaus.

Hij is wanstaltig dik en hij wil seks. Niet met mij; met een prachtige jonge vrouw die steeds hetzelfde boek leest: een biografie van Nelson Mandela. Ze heeft lange donkere haren en tatoeages op haar benen en armen. Draken op haar benen en vissen op haar armen. Had ik een gave probleemloze huid dan zou ik het adres vragen van haar tatoeëerder. Misschien heeft ze ook nog de naam van een verdronken kind in haar schaamstreek staan. Noch Ronny noch ik zullen die schaamstreek ooit mogen exploreren, vrees ik.

Maar wacht! Ik wil Ronny wiens leven niet over rozen gaat toch ook een bloemetje toewerpen: zijn vader was een analfabetische bietenboer en zijn moeder was een wazig sherryslurpend egocentrisch ex-shampooreclamekind. Zijn broers waren racistische wafelbakkers en zijn zus emigreerde naar Honolulu om daar ongehoorde acts op te voeren met olijven en pingpongballen.
Niemand in de omgeving van Ronny wilde dat Ronny boeken las. En toch is de literatuur zijn leven binnengeslopen. Nee, hij heeft het heft in eigen handen genomen; hij heeft zichzelf lid gemaakt van de bibliotheek en hij heeft zich als een uitgehongerde orka gestort op Rilke, Melville, Steinbeck, Kafka, en vele anderen. Dat is ontroerend en lovenswaardig.

Ik heb makkelijk praten; ik kreeg als vijfjarige Dode Zielen, Reis naar het einde van de nacht, en Turks Fruit aangereikt. Lezen was een vreugde maar ook een vanzelfsprekendheid in het milieu waarin ik opgroeide.
Dus eindig ik toch graag met respect en genegenheid voor de antipathieke Ronny, de eeuwig ontslagen kraanmachinist.

 

Over de auteur

Delphine Lecompte