Gepubliceerd op: maandag 5 oktober 2020

EI 237: Alfred Schaffer – TUR PISKÁ TIN WESU MA TA MAKAMBÍ TA KARGA FAMA

 

ik. ben. een ri. vier. zwart als. een scheur. ben. ik. niet. wijs en niet. van mij. ik. stroom. op een ei. land. slaat het. ner. gens op. ri. vier te. zijn maar. ik. be. sta. voor. dat. ik droog. val. ketens. die. ren. kra. len. wrak. hout. kle. ding. stuk. ken. men. sen. munt. stuk. ken. al. les. slorp. ik op. lust. ik. rauw. ik. draai mijn. hand niet. om voor. een goed. ge. sprek wie. aan. mijn oe. vers. staat. heeft het. niet meer. dan troost. ik. droog of. niet een tro. pisch ei.

land met. een ri. vier. wat. een gil. ler. laat staan. laat staan. een wa. ter. val wie. vraag. ik u. wie. ver. zint zoiets. wie wacht. daar. loopt het ant. woord af. en aan. een. we. zen gehuld. in. u. niform. eerst wit. als hit. te nu. vuil- grijs. met mod. der- en. bloed. vlek. ken. wat een. con. trast. met. haar. vol. komen. uit. ge. droog. de huid. wat. lacht ze. hard wat. roept ze. nou. ik.

zeg wat. roept u. nou. als u. niet. vindt wat. u zoekt. kom zwem. dan in. mij. wees. in mij. al. viel. ik. droog al. ben. ik. niet. maar ach. ze kan niet. zwem. men roept. ze hard. en slaat. mijn op. per. vlak dat. doet geen. pijn want. ik. ben. een con. structie. van woor. den. in geen. en. ke. le taal ook. geen ab. stracte. een lichte. groeve in de. rots. vlak. te ben. ik. vloei. bare. wil. dernis. steek. je over. word je. her. bo. ren. of be. treed. je het. donker je. stapt moei. te. loos. o. ver mij. heen als. over. een kla. te. rende. hou. ten. vloer al. ben je. een toe. rist. des. noods een. ko. lo. nist. maar wie. in mij. ge. looft. wacht. na. rig. heid. el. lende. be. roerd. heid. ook op. dit ei. land. één dag.

ko. ningin te. zijn of. ko. ning der. blinden.

____
De titel is een papiaments spreekwoord. Alle vissen hebben een graat, maar de makambi vis strijkt met de eer.

De extreme vorm / stijl – laat ik het gemakshalve MAKAMBI noemen – bepaalde mijn keuze voor dit gedicht. Als puin als gruis, een ‘con. structie van woor. den in geen. en. ke. le taal ook’ …

Het hardop lezen gaat hortend en stotend, op de tast. Begrip blijft achter bij mijn oogbewegingen. Ik lijm als vanzelf wat ik herken ‘ik ben een rivier’ ….

Ik zoek het ritme, iets van muziek. Kom adem tekort. Het kost moeite om me meteen in dit gedicht thuis te voelen.

Impromptu: in het gedicht Muzik beim Ertrinken van Egon Schiele spartelt en draait de ik-figuur in de rivier met steile en hoge oevers. Hij hoort het water in zich, dat goede mooie zwarte water, en vindt de gouden kracht van adem … .

Ingrijpen in de tekst (hoe verleidelijk ook) is ongepast. MAKAMBI staat daar zoals het is: een ontplofte woordenschat ingeklemd tussen minder vorm-extreme gedichten.

In de poëzie om MAKAMBI heen gebeurt veel. MAKAMBI maakt deel uit van dit rizomatische complex van taal, die volgens de dichter uit het geheugen komt van een “ik” die uit meerdere helften bestaat. “Één helft ken ik nog van vroeger weer een andere zit vol raars.” Zijn gelijkenissen ontsporen, laten een splinternieuwe taal ontstaan. Schaffers stem schiet door de barrière van zijn spraakvermogen. Een verre explosie. Zintuiglijke ervaringen worden een niet op te ruimen zooitje.

Zwemmen in de volle buitenwereld én niet kunnen zwemmen. Zingen en niet kunnen zingen. Hij waant zich onzichtbaar en schiet met scherp. Rent naar “thuis” om daar buiten adem alles te kunnen verklaren. Zijn wanhoop brandt. De rookontwikkeling en de consternatie maken van zijn nederlands een puinhoop.
Praten met wit-roze mensen, blik gericht naar de grond. Goed ar-ti-cu-le-ren! Etc.

Dan, nog ver voor MAKAMBI gebeurt er dit:

[ ] of ik even plaats wil maken, juist ik. heel. lang. zaam. ter. gend. lang.
zaam. sta. ik. op. een minuut. een uur. een dag. ik heb. de tijd. ….. waar ik ook
kwam maar zeg, uw mond hangt open dat is toch –

Stok in de bek. Een dode stem die alleen met een stethoscoop te horen is – leeft “ik” nog?

Tegen het einde van de bundel, na MAKAMBI, staan in het gedicht ESEI KE MEN MAS O MÉNOS NIUN HENDE POR FABOR (is niemand meer een mens?) de (gebroken) woorden met hun rug tegen de muur:

opeens
dat ge
zicht
je heel
dicht
bij
drijf
nat tril
lend lijf
je dat
stinkt
naar ri
vierwa
ter zoe
te muf
fe a
dem twee
wit
he
te zwar
te ga
ten die
mij aan
sta
ren blij
ven aan
sta
ren de
ka
ko
fo
nie
van dat
ge
staar
hou
daar
mee
op

Wie was ik – schoon zonder punten. Hier heeft Schaffer de kleine stilte van zijn pasfoto gewassen. Biechten, strafregels schrijven en bidden zijn synoniemen.
Blijft over het water in het zaterdagmiddagteiltje, het zwarte water van Schiele of het gedicht TUR PISKA TIN WESU MA TA MAKAMBI TA KARGA FAMA.

 

wie-was-ik

 

wie was ik. strafregels
Alfred Schaffer
Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN 9789403183107

 

 

 

 

 

Over de auteur

Harry van Doveren

- publiceerde essays en vertalingen (o.a. van Robert Musil en Paul Valery) in diverse tijdschriften. Zijn eigen poëzie verscheen bij de uitgeverijen IJzer en Opwenteling. Zijn meest recente bundel, Wereldgemiddelde, verscheen bij Uitgeverij crU.