Gepubliceerd op: donderdag 6 augustus 2020

K&G: Schoolreizen

 

Ik woonde niet graag bij mijn moeder en mijn stiefvader, maar toch had ik altijd heimwee tijdens schoolreizen en ponykampen. Ik droomde ook levendiger dan anders, en in elke droom was mijn moeder zwanger.

Ponykamp met mijn nichtje was raar, omdat er ook computers waren. Ik begreep het verband niet. Ik kon niet omgaan met de pony’s, maar ik was nog slechter met de computers. Mijn zes maanden oudere nichtje ontpopte zich in een mum van tijd tot een sierlijke onbevreesde amazone, en ’s ochtends mocht ze de kamer van de populairste monitor betreden. Ze kreeg daar ouderwetse borstbollen, en aaitjes over haar kruin.
Ik zat op mijn stapelbed brieven te schrijven aan mijn grootmoeder. Zij was de enige die mijn brieven las. En beantwoordde. Op een dag werd ik aangevallen door de bouvier van een fazantenjager, maar ik droeg een gewatteerde jas. Mijn neefje Simon vond een gaatje in de muur en gluurde door het gaatje naar de meisjes, waarop de brute onbehouwen razend knappe mijnwerkersdochter Daphne zijn oog uitstak met een souvenirpotlood van Bremen. Hij bloedde als een aangereden kangoeroe en er moest een ambulance naar de manege komen.

Ik was jaloers op alle aandacht die hij kreeg. Later vertelde mijn moeder me het verhaal van Klaus Kinski op de set van Fitzcarraldo; op een dag werd een van de rubberplantagewerkers gebeten door een dodelijke slak. Hij moest zijn eigen been afzagen, hij had minder dan dertig minuten tijd en dit was het midden van de jungle. De rubberplantagewerker aarzelde niet en hij was de held van de dag. Klaus Kinski maakte een scène; hij vond dat alle aandacht voortdurend naar hem moest gaan. Ik denk dat mijn moeder het als slecht voorbeeld bedoelde; word niet zoals die zotte egocentrische narcistische Kinski. Maar toen ik het hoorde begon mijn hartslag te versnellen en ik heb mij sindsdien voorgenomen om mij zoveel mogelijk aan Klaus Kinski te spiegelen.

Ook memorabel was de sneeuwklas in het zesde leerjaar. De Turkse kindjes moesten thuisblijven. Mijn dikke vriend Resul zei: ‘Turken en sneeuw, nee oh nee! Breng je een kristallen hertje voor me mee?’
Oostenrijk was prachtig en de skileraar wekte me ’s nachts om me een dassenfamilie te laten zien. De skileraar leek op Iggy Pop, maar hij had niet hetzelfde karakter noch hetzelfde temperament. Ik was roekeloos op de latten en dus werd ik gestraft; ik moest de rest van de sneeuwklas in de blokhut blijven, bij Wendy die ook gestraft was. Zij had haar borsten getoond aan de imbeciele broer van de blokhutuitbater. Een beetje zoals in Of Mice and Men, maar Wendy bleef leven. Ik had nog geen borsten, anders had ik ze ook getoond aan de imbeciele broer van de blokhutuitbater. Ik zou zijn vermoord.

In het eerste middelbaar was er het obligate Parijs. Ik probeerde te braken in de buxusheggen van Versailles, maar mijn timing was miserabel; ik kotste op het graf van Jim Morrison in Père Lachaise.
Ik had bloemen gekocht en ik probeerde het braaksel weg te vegen met die bloemen, maar ik maakte een nog grotere smeerboel.

Een jaar later ging de klas naar Praag. Ik hield van Praag omdat iedereen er lief, krankzinnig, en onbetrouwbaar was. Op een kade raakte ik bevriend met een suïcidale trompettist. We aten harde kazen en luchtige pistolets tezamen, en we praatten over tandextracties en hamerhaaien. Hij waardeerde het dat ik de zelfmoord niet uit zijn hoofd trachtte te halen.
Later in het hotel waren er Duitse pubers die Mein Kampf bij zich hadden. Thijs en ik dachten dat het ‘Mijn Kamp’ betekende, en we verschuilden ons in onze hotelkamer en riepen: ‘Dit is ons kamp, onnozel moffengebroed!’

De laatste dag huilde ik onbedaarlijk. Maar ik kocht ook een obscure jazzplaat, dronk sterke perziklikeur, en liet mijn oog vallen op een goksalonuitbater met een putje in zijn kin en een majestueuze rundskopring. Toen reed de bus weg en ik dacht aan de vele Praagse senioren die uit het raam vielen om de duiven te voederen. Een van hen was mijn lievelingsschrijver.

 

Over de auteur

Delphine Lecompte