Gepubliceerd op: zondag 2 augustus 2020

K&G: Charlie Sheen en de analfabetische jongenshoer

 

In de fietsenstalling van het oogziekenhuis bedrijf ik de liefde met de ontslagen kraanmachinist.
Hij spreekt tijdens de seks; eerst over trapliften, daarna over linzensoep, en tot slot over Canadese ganzen. Ik leg hem het zwijgen op met mijn linkerborst (die is net iets groter is dan mijn rechterborst) en probeer met zachtheid aan mijn moeder te denken die op sterven ligt.

Ik slaag erin om met zachtheid aan haar te denken; ik denk aan onze korte reis naar Praag. Een oude vriendelijke man die Duits sprak en Potifar heette legde niet uit waar de dichtstbijzijnde apotheek lag; hij liep met ons mee schoon hij zelf niets nodig had van de apotheek. Ze hadden mijn medicijnen niet. De rest van de reis was ik panisch en ontredderd. Ik was een puber toen, ik las veel en soms stal ik pindanoten en hagedisbroches van louche televisiepriesters. Ik had twee wandelende takken maar ik vond het moeilijk om er een band mee op te bouwen. Met mijn stiefvader verliep het nog veel moeilijker; hij was verzonken in Proust en nougat.

Wanneer de ontslagen kraanmachinist sabbelt aan mijn rechterborst denk ik aan de corrupte doch ontwapenende Charlie Sheen. Misschien schrijf ik eens een liedje over hem. De ontslagen kraanmachinist komt klaar op mijn buik. Hij zegt: ‘Ik ken een onderwaterlasser die elke dag mosselen in azijn eet. Elke dag tegen zijn zin! Er bestaan interessantere vormen van boetedoening.’
Ik zeg: ‘Seks in de fietsenstalling van het oogziekenhuis is niet interessanter.’
Ik sta op, fatsoeneer mijn kleren en neem de bus naar de gevangenis.

Naast de gevangenis bevindt zich de kruidenierswinkel van de zure Yvonne en de benepen Ronny. Ik koop er dadels en goedkope witte wijn voor de analfabetische jongenshoer. Hij ligt te zonnebaden met open mond op de rand van het drooggelegde zwembad. Een psychotische Aboriginal probeert een wereldbolsleutelhanger in zijn mond te mikken. Malta en Bolivia zijn uitgewist. Roemenië ligt verkeerdelijk in het zuiden van Afrika. Of is het een oude bol en bedoelen ze met Roemenië Rhodesië. Zo verwarrend allemaal.

Ik neem een slok witte wijn en jaag de Aboriginal weg; ik wil een eiland zijn met de analfabetische jongenshoer. Ik zeg tegen hem: ‘De gevangenis ja ja, ik weet wel dat je vindt dat ik daar thuishoor. Maar ik heb de norse lamaverzorger niet vermoord; ik gaf hem een duw toen hij frunnikte aan mijn smakeloos houthakkershemd en hij kwam slecht terecht. Met zijn nek op de snavel van een toekanmascotte.’
‘Mascotte waarvan?’ Vraagt de analfabetische jongenshoer loom.
‘Van een obsolete chipsfabriek, meer moet je niet weten. Moet je meer weten?’
‘Nee.’
De zon gaat onder. De jongenshoer eet dadels en ik drink de fles witte wijn dan maar zelf leeg.
We zijn macaber noch doodongelukkig, maar we zijn alleszins volstrekt ongeliefd.

Over de auteur

Delphine Lecompte