Gepubliceerd op: donderdag 30 juli 2020

K&G: Videotheek

 

Een keer per week mocht ik op eigen houtje naar de enige videotheek van De Panne.

Ik ging rechtstreeks naar de horrorfilms. Ik was te jong om ze te huren, maar ik had genoeg aan de tekeningen van omineuze huizen op heuvels, overduidelijk sadistische stiefvaders, bezeten kinderen die in maïsvelden verstopt zaten, verbrande paria’s met messenhandschoen en gestreepte trui die enkel verschenen wanneer je dom genoeg was om in slaap te vallen, verstoten vissers met haakhanden die het gemunt hadden op promiscue prom queens en hun hooghartige preppy vriendjes, boosaardige poppen, Japanse dozen vol vloeken en onderwerelden, inteelt Hillbillies met kettingzagen, Oost-Europese motels waar wormen aan touwslagers aan glasblazers aan ballerina’s aan amfibieën werden gestikt, jungle-expedities waarbij meteen duidelijk was dat de Anaconda het onschuldigste schepsel van de film was, en Australische seriemoordenaars met grotten vol tangen en tandartszetels bestemd voor jonge naïeve rugzaktoeristen.

De porno liet ik links liggen, want de zolder van mijn grootouders lag er vol van en de verhalen waren me te ernstig en te utilitair.
Ik ging naar huis met Gorillas in the Mist of Ghostbusters. Mijn keuze werd weggehoond. Mijn grootvader zei: ‘Sigourney Weaver is een lelijke vrouw. Ze lijkt op de doofstomme naaister van de Barkenlaan.’

Die doofstomme naaister was de moeder van mijn beste vriend, dikke Peter. We leefden op straat. Maar dikke Peter had liever binnen geleefd. Geleefd en gespeeld.
Hij wilde zo graag het spel Dokter Bibber bezitten, maar zijn ouders waren te arm. Zijn vader verdween soms enkele weken om tapijten te verkopen, maar op de terugweg ging het weinige geld op aan verslenste hoeren en aan krasbiljetten. Toen hij eindelijk het juiste krasbiljet in handen kreeg werd het opgezogen door Holle Bolle Gijs in een Moldavisch pretpark, en de man die Holle Bolle Gijs ’s avonds leegmaakte was niet het soort man waar je ruzie mee wilde maken.
Later kreeg dikke Peter zijn revanche; hij werd verwaande blaaschirurg en kon naar hartenlust beven en er een potje van maken boven zijn geanestheseerde patiënten.

Mij was het eender; binnen of buiten, de hel was onontkoombaar. Dat had de visboer van het Sloepenplein (die volgens mijn grootmoeder als twee druppels water op Clint Eastwood leek) me in het oor gefluisterd. Hij gaf me soms massages met zware pijlstaartroggen. Op de nationale feestdag heeft zijn vrouw ons betrapt, en plotsklaps was ik het zondigste kind van De Panne.
Mijn grootvader zei: ‘Bravo!’ en hij gaf me een pluchen zeeleeuw en een Azteeks hangertje van goud.

Terug naar de horror: toen ik oud genoeg was om Nightmare on Elm Street te bekijken deed ik het voor de zekerheid overdag, en met mijn nichtje die zes maanden ouder was.
We bekeken de film bij mijn grootouders, maar de schizofrene zus van mijn grootmoeder (tante Takkie) stormde naakt de woonkamer binnen en ze zei dat we duivelsgebroed waren en dat we zweepslagen verdienden.

Later die dag zaten mijn nichtje en ik in bad. Onze grootvader betrad de badkamer om ons gerust te stellen; tante Takkie zou overmorgen naar een gesticht verhuizen.
Maar we waren niet gerustgesteld; we vonden de spiedende oogjes van onze grootvader viezer dan de woedeaanval van tante Takkie, viezer zelfs dan de toorn van Freddy Krueger.

Over de auteur

Delphine Lecompte