Gepubliceerd op: donderdag 23 juli 2020

K&G: David Lynch

 

Ik groeide op bij mijn grootouders in De Panne. Mijn grootouders hielden van Afrikaanse maskers, van Balinese wandtapijten, van pornografische stripverhalen, van Goethe, van Bataille, van hoofse poëzie, van John Donne, van katholieke streekromans, van rijmpjes over winden, van Calvados, van mosselen, van angstaanjagende orgieën met morose windhondenfokkers en albino dwergvrouwtjes (angstaanjagend voor een zesjarige), maar hun grote liefde was film.
Van Fritz Lang tot spaghettiwesterns, van Halloween tot erotische films uit Japan. Ze hielden van Gorillas in the Mist en van Charlie Chaplin. Hitchcock was hun afgod. Maar ze hielden ook van Truffaut, van Eric Rohmer, van Stanley Kubrick, van Fellini, van Peter Greenaway, van Soderbergh, en van Brian de Palma.

Slechts over 1 regisseur raakten ze het niet eens: David Lynch. Mijn grootmoeder was verzot op zijn wrede bevreemdende poëtische macabere droomwereld. Mijn grootvader vond zijn werk walgelijk, artificieel, vergezocht, pervers, en pretentieus. En aangezien mijn grootmoeder aan een angststoornis leed en nooit alleen kon zijn, kreeg ik de taak om naast haar te zitten wanneer ze de films van Lynch (her)bekeek. Ik denk dat ik nog geen vijf jaar was toen ik het sensuele en gewelddadige meesterwerk Blue Velvet zag. Ik ontdekte Roy Orbison (In Dreams wordt gebruikt in de film) en ik werd halsoverkop verliefd op Isabella Rossellini. De volgende dag kreeg ik een pluchen zeehond en die noemde ik Isabella. Ik had al een pluchen schaap, die had ik Bernardo genaamd naar de leider van The Sharks in West Side Story. En ik had een pluchen civetkat die ik soms Richard noemde (naar Richard Burton in The Night of the Iguana), en een pluchen toekan (de mascotte van een Veurnse chipsfabriek) die tussen mijn benen sliep en daar Humphrey Bogart heette.

David Lynch in Cannes 2017 foto door Georges Biard CC BY-SA 3.0

David Lynch in Cannes 2017
foto door Georges Biard
CC BY-SA 3.0

Toen ik zeven was moest ik een spreekbeurt geven in de klas. Ik twijfelde tussen twee thema’s: walvissen en David Lynch.
Het werd een spreekbeurt over David Lynch. Ik had stills uitgeknipt uit de dure filmtijdschriften van mijn grootouders. Die stills vielen niet in goede aard; ik moest in de hoek staan met ezelsoren aan. Dat weigerde ik. Ik rende de school uit en volgde een klein zwart katje, tot het in de haag van de gierige oogarts sprong en als in een scène uit Alice in Wonderland in de tuin belandde met een krankzinnige grijns, een hoge paarse hoed, en een tapijtschaar.

Ik keerde met hangende pootjes terug naar de school, maar die was ondertussen gesloten. Een pedofiele tuinman lokte me mee naar zijn huis en we hadden een fijne middag met niet-invasieve liefkozingen, pudding, baardagamen, en foto’s van verticuteermachines en onkruidstekers. Het werd laat, ik nam afscheid van de pedofiele tuinman en beloofde hem tot en met mijn elfde levensjaar regelmatig terug te komen. Ik kreeg een formidabele pandoering van mijn grootvader toen ik terug was in het huis van mijn grootouders. Even later kreeg hij wroeging en ging hij om frieten. Maar nog veel geestiger was dat ik heel laat mocht opblijven en zelf de film mocht uitkiezen die we zouden bekijken: Spartacus.

Terug naar David Lynch: Ik ben ondertussen tien jaar en ik woon bij mijn moeder in Gent. We kijken naar Eraserhead. Ze loopt kokhalzend weg en komt een halfuurtje later terug met een fles droge sherry. De film is nog bezig. Ik wil een slok sherry, maar het mag niet. Ik zeg: ‘Van oma en opa mocht ik altijd proeven van hun grappa, tequila, cognac, gin, whisky, porto, Blue Curacao, Picon, Ricard, rode wijn… Het was daar veel leuker!’
Ik kreeg slaag, maar mocht toch Eraserhead uitkijken. Alleen.

Het was zalig, ik had mijn verwante ziel gevonden: grimmig, akelig, fantasierijk, dynamisch, wonderlijk, onbevreesd, morbide, ziekelijk, wellustig, mystiek, obsceen.
Ik zou graag eindigen met de woorden van de geniaalste grijze kuif ter wereld: ‘There’s so much happiness in the dark worlds, or in translating the ideas that come. And if you can get rid of the negativity that restricts your energy, it’s as though a load has lifted. Then you can dive into the treasury every day and still more energy comes from that. I mean, you can’t control what people are gonna think about a movie or a painting. So you better enjoy the doing.’

 

Over de auteur

Delphine Lecompte