Gepubliceerd op: maandag 13 juli 2020

EI 226: Joost Zwagerman – Bestaan

 

Nochtans belijd ik
dat ik, tegen de klippen op,
uiteindelijk in Hem geloof.

Zijn grootste en finale wapenfeit:
Hij is er niet.
Hij is de alomvattende
afwezigheid.

Erg is dat niet.
Ik ben er evenmin.

Dat schept een band.
In zijn voldongen vacuüm
houdt Hij zich uit de aard der zaak
en uit principe blind en doof.

Dat is verdrietig:
men verlangt naar Hem.

Toch is Hij hier.
Dagelijks staat Hij in mij op.
Men ziet dat niet.

Ik kan daar niets aan doen.
Het is Gods rotstreek in een notendop.

 
____
Sommige recensenten noemen Zwagerman naar aanleiding van zijn 48 Godgedichten die integraal in de bundel Verzamelde Gedichten zijn opgenomen, “een mysticus” (Stijn Fens) of “mystiek schrijver” (dr. H. Blommestijn). Omdat Zwagerman in het Godgedicht Systeem expliciet verwijst naar het plotinisme, is het interessant het voorliggende gedicht te analyseren vanuit een neoplatoonse, in het bijzonder Augustiniaanse invalshoek. Bekend is immers dat Plotinus invloed had op het denken van Augustinus van Hippo. Deze laatste zet in Boek X van zijn Belijdenissen uiteen hoe de innerlijke weg naar het mysterie van het leven en de kern daarvan, namelijk God, kan worden afgelegd.
Etappes op die spirituele weg zijn onder meer: de paradox van het kennen en ontkennen van God, het verlangen te worden opgenomen in de tijdloosheid, het verlangen naar een niet-zijn en het tevergeefs zoeken naar God. We zullen kijken of we deze mystieke elementen in het gedicht ‘Bestaan’ terugvinden.

In de eerste strofe biecht Zwagerman op dat hij ‘uiteindelijk in Hem gelooft’. Hij doet dat ‘tegen de klippen op’, wat wil zeggen: tegen de stroom in. [Is dat een allusie op de weerstand tegen God in onze postchristelijke samenleving?]. De eerste versregel opent met het adversativum ‘nochtans’ dat hier als een belangrijk signaalwoord fungeert. Het refereert aan een tegenstelling die in de eerste strofe niet expliciet maar wel impliciet aanwezig is, namelijk het niet-geloven in Hem. Die paradox is voor Zwagerman een voortdurende worsteling. Zij is ook herkenbaar als een horde die – om dichter bij Hem te geraken – op de mystieke ladder genomen moet worden.

De tweede strofe heeft een exegetische lading. Zwagerman legt de stelling ‘Hij is er niet’ uit. Een uiting die opnieuw paradoxaal is. Wat Zwagerman vermoedelijk bedoelt, is dat God er wel is maar niet op de manier waarop wij ons Hem voorstellen. Er zou achter het zinnetje ‘Hij is er niet’ toegevoegd moeten worden: zoals wij denken dat Hij is. Parallel hieraan zeggen natuurkundigen dat de ons omringende werkelijkheid niet is zoals wij denken dat zij is. Onze zintuigen schieten namelijk tekort om de echte werkelijkheid te zien. Daarom wordt die werkelijkheid in wiskundige formules weergegeven. Er is meer overeenkomst tussen theologie en natuurkunde dan wij denken.

In de derde strofe wordt Zwagerman persoonlijk als hij zegt: ‘Ik ben er evenmin’. Wat verwijst naar zijn verlangen van een niet-zijn. Of meer Augustiniaans: de hunkering opgenomen te worden in de eeuwige rust en het eeuwige licht wat in schril contrast staat met het tijdelijke, onbeduidende zijn. De inhoud van deze strofe lijkt overigens naar een uitspraak van Zwagerman zelf te verwijzen waarin hij zegt: “Nu, de vijftig voorbij, ben ik ook de schaamte voorbij, d.w.z. de schaamte om in een steeds meer van God los rakende samenleving het gesprek met God aan te gaan”. Hiermee wekt Zwagerman de indruk kritiek te hebben op de zelfverheffing van het moderne self-made ego.

In de 4e , 5e en 6e strofe lijkt zich een typisch Augustiniaans fenomeen te openbaren, namelijk het verschil tussen het weten van God en het kennen van God. Het contrast tussen intuïtie en ratio. Augustinus zegt dat de mens in het diepst van zijn wezen verlangt naar God: naar eeuwigheid, tijdloosheid en rust. Dat zou een universeel weten van Gods bestaan zijn, dat aan het kennen van Hem voorafgaat. Zwagerman speurt in de diepte van zijn geheugen naar die Godservaringen. Hij vindt ze niet. Hij kan er met zijn verstand niet bij. Toch weet hij dat God ‘dagelijks’ in hem ‘opstaat’ (v17).

Hoewel niet bewezen is dat Zwagerman Augustinus’ Belijdenissen heeft gelezen, dan wel secundaire literatuur over hem heeft geraadpleegd, kunnen we op grond van de Eerste Indruk van dit gedicht voorzichtig concluderen dat er sprake is van mystieke ontvankelijkheid. Een ontvankelijkheid die geschraagd wordt door voor de mystiek karakteristieke paradoxen. Dat daarin ook elementen uit het mystieke gedachtegoed van Augustinus van meer dan 1600 jaar geleden herkenbaar zijn, zegt veel over Augustinus als denker.

 

 

Verzamelde gedichten
Joost Zwagerman
Uitgeverij de Arbeiderspers
ISBN 9789029540766

 

Eerder verscheen in deze serie een bespreking over Klaar, een ander Godgedicht uit de bundel.

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.