Gepubliceerd op: maandag 15 juni 2020

EI 221: Joost Zwagerman – Klaar

 

Al vroeg had ik het wel gehad met God,
Let wel: niet met die in Hem geloofden.

Neem alleen al concentratiekampen.
Buchenwald, Treblinka, Auschwitz-Birkenau.

Wat stellen Gods spindoctors daar tegenover?
De glorie van het kleine, de frêle waardigheid

en het basaal vertrouwen van de mens.
Iemand die bij iemand heel lang onderduikt.

Anne Frank die Hem in haar dagboek schrijft.
O lieve God, ik denk aan Jou, ik hou van Jou.

Dat is niet waar. Het is een vrome, laffe leugen.
Aarzelend heeft Anne Zijn bestaan betwist.

Woordvoerders van God kennen geen scrupules.
Hun jubel van het kleine verspreidt alleen maar stank.

God moest echt uit mijn bestaan gewist,
Uit naam van Elckerlyc, uit naam van Anne Frank.

 
____
Dit gedicht komt uit de in 2016 uitgegeven bundel Wakend over God. In recensies worden de gedichten in die bundel als religieus en soms als mystiek geduid. In nagenoeg alle gedichten gaat het over God. De dichter praat daarbij meer over Hem dan met Hem. Hij schroomt niet om ongezouten tegen Hem te fulmineren. Omdat God het overheersende thema in deze gedichten is, kunnen ze met recht als Godgedichten gekarakteriseerd worden.

Zo ook het gedicht Klaar. De vraag die daarbij rijst, is welke God Zwagerman bedoelt? Gaat het om de oudtestamentische, of toch meer om de nieuwtestamentische? De oudtestamentische God kennen we als afstandelijk, streng en soms wreed. Hij is een koning die hoog boven de mens uittroont. De nieuwtestamentische God daarentegen is liefhebbend en genadig. Hij is veel meer een vader dan een koning. Hij staat daardoor dichter bij de mens. Die nabijheid wordt versterkt door de kruisdood van Zijn zoon. Het maakt het gezicht van God menselijk.

Omdat er in de bundel geen enkel gedicht is dat expliciet verwijst naar een barmhartige God, noch naar zijn lijdende Zoon en diens moeder als de mater dolorosa et lacrimosa, is de verleiding groot om de God van Zwagerman te bestempelen als de God zoals die in het Oude Testament tot ons komt. We zullen zien of we in dit gedicht plaatsen kunnen aanwijzen waar we die aanname kunnen waarmaken.

De openingszin van het gedicht ‘Al vroeg had ik het wel gehad met God’ preludeert min of meer op die oudtestamentische God. Zwagerman zegt dat hij op jonge leeftijd met God heeft gebroken, dat hij het helemaal met God ‘gehad’ heeft. Hij is er met andere woorden helemaal ‘Klaar’ mee.

Allereerst memoreert het gedicht de gruwelijkheden die zich ten tijde van de Tweede Wereldoorlog afspeelden in de Duitse concentratiekampen. Hij somt in v4 enkele van die oorden des doods expliciet op: ‘Buchenwald, Treblinka, Auschwitz-Birkenau’. In deze kampen werden respectievelijk 50.000, 900.000 en 1.300.000 onschuldige mensen vermoord. En dat allemaal onder toeziend oog van een almachtige God. Dat alleen al is voor de dichter voldoende aanleiding om met God af te rekenen en in v15 vervolgens te zeggen dat God ‘echt uit mijn bestaan gewist’ moest worden. God verschijnt hier als onmenselijk, kil en wreed.

Vanaf de vierde strofe wordt Zwagerman heel persoonsgericht. Hij richt zijn mededogen specifiek op Anne Frank. Hij licht haar op uit de uitzichtloze duisternis waarin zij wanhopig zit opgesloten nadat haar onderduikadres is verraden. Ook hier doemt weer het gezicht van de oudtestamentische God op. Hij is doof voor haar gebeden, zoals impliciet blijkt uit de vijfde strofe.

Zwagerman zegt vervolgens in v11: ‘Dat is niet waar. Het is een vrome, laffe leugen.’ Niet letterlijk maar tussen de regels door lezen we, dat hier geen sprake is van een God van goedertierenheid maar wel van een onbarmhartige en genadeloze God. Een wrede God die een jong meisje dat haar hoop op Hem heeft gevestigd, laat stikken. Opnieuw een God zonder mededogen zoals wij die uit het Oude Testament kennen.

Zwagerman gaat in genoemde passage nog een stap verder. Het is God niet kwalijk te nemen dat Hij zo is. God heeft zich al lang geleden van de mens afgewend met als gevolg dat Hij er niet is of misschien zelfs nooit geweest. Het zijn ‘Gods spindoctors’ die de leugen als zou Hij er wel zijn in stand houden. De lafheid van die leugen slaat niet op God maar op de ‘spindoctors’.

Genoemde vindplaatsen in het gedicht geven aan dat de God uit de oude boeken van de Bijbel, afkomstig uit de joodse Tenach, de God is over wie Zwagerman het heeft als hij in zijn gedicht naar God verwijst. In de ogen van Zwagerman is God hardvochtig en liefdeloos en daarom moet Hij uit zijn bestaan gewist worden.

 

 

Verzamelde gedichten
Joost Zwagerman
Uitgeverij de Arbeiderspers
ISBN 9789029540766

 

 

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.