Gepubliceerd op: vrijdag 21 februari 2020

EI 206: Wiel Kusters – Vroeg donker

 

Nu wordt het hier in huis opeens zo stil.
Ik leef op bladzijden die jij nooit las,
maar die ik later nog eens schrijven zal,
de laatste eerst: ik weet wat wachten was.

Heb je nog oog voor mij? Ik zie je niet
dan in het wenden, keren van het boek
dat mij nog nooit naar woorden raden liet,
tot ik het hier en nu te openen zoek.

Geen hartstocht komt in letters tot bedaren.
Mijn woorden hield ik nooit gemakkelijk tegen,
zelfs niet als wij uitgesproken waren.

Want niets lijkt tegen adem op te wegen,
geen zin weet zich in stilte te verklaren.
Dat ik niet spreken wil, heb ik verzwegen.

 
____
De titel van het gedicht verwijst in letterlijke zin naar het korter worden van de dagen. Het wordt al ‘Vroeg donker’. In overdrachtelijke zin kan de titel verwijzen naar de leeftijd van de dichter. Hij is inmiddels de zeventig gepasseerd. Voelt hij dat ook zijn dagen korten? De dichter zet de lezer een traditioneel gedicht voor, een sonnet. Nog steeds voor menigeen een favoriete versvorm die – evenals de rijmschema’s – ons vertrouwd voorkomt: het octaaf kenmerkt zich door gekruist, mannelijk eindrijm en in het sextet is sprake van gekruist, vrouwelijk eindrijm. Alleen ‘stil’ (v1) en ‘zal’ (v3) vallen als overeenkomstig eindrijm uit de toon, hoewel de slotconsonanten wel matchen en daardoor een klankovereenkomst bewerkstelligen. De afwijking in het rijmschema dient vermoedelijk een hoger doel: het accentueren van de stilte; het benadrukken dat de vertrouwde geluiden ‘in huis’ en in het hoofd van de dichter zijn verstomd.

Kenmerkend voor deze versvorm is de chute, die in dit gedicht tussen octaaf en sextet valt, dat als een nadere uitleg van het octaaf beschouwd kan worden. De interpunctie is vertrouwd-conventioneel. Er lopen geen versregels over van de ene naar de andere strofe. Elke strofe eindigt met een punt, ofschoon tussen de 3e en 4e strofe een komma had kunnen staan. Daarom is er tussen strofe 3 en 4 een logischere samenhang dan tussen strofe 1 en 2. Het zal de lezer niet verbazen dat de dichter – zij het bescheiden – gebruik maakt van allerlei vormen van halfrijm, zoals in v1: ‘hier en huis’ en v4: ‘ik weet wat wachten was’.

De connotatie van de openingszin ‘Nu wordt het hier in huis opeens zo stil.’ voelen we direct aan. Er zijn in ons leven momenten waarop we heel bewust ervaren dat er iets wezenlijks is veranderd. Het van leven bruisende huis dat opeens stil valt als de kinderen het oude nest verlaten, de leegte die een breuk of een definitief afscheid teweegbrengt of een lang aanhoudende Altweibersommer die plotsklaps omslaat en ons opeens doet beseffen dat we al diep in het najaar zitten.

Na de inleidende zin die met een rake penseelstreep een naargeestige maar voor velen herkenbare stemming oproept, krijgt het gedicht een relationele dimensie. De lyrische ik-figuur blijkt in een andere wereld te verkeren dan de aangesproken persoon. Hij zegt in v2: ‘Ik leef op bladzijden die jij nooit las’. Toch kunnen we niet spreken van een definitieve verwijdering tussen de ‘ik’ en de ‘jij’. Er komt namelijk een tijd waarin de ‘ik’ de ‘jij’-figuur deelgenoot maakt van zijn gedachtenwereld. Hij zegt dat expliciet in v3: ‘maar die ik [de gedachtenwereld dus] later nog eens schrijven zal’.

Het lijkt geen opzet dat de ‘ik’ de aangesproken persoon zo lang laat wachten. Hij weet immers zelf wat het is te moeten wachten op iets, wat maar niet komen wil. En op zijn laatste gedachten heeft de aangesprokene het langst moeten wachten, vandaar dat de ik daarmee begint als het ‘boek’ eenmaal geopend is.

De tweede strofe opent met een vraag: ‘Heb je nog oog voor mij?’. Nu de ik-figuur zo in zijn eigen wereld leeft, vraagt hij zich af of hij de ander niet van zich vervreemdt. Die ander probeert dat contact wel te handhaven. De jij-persoon ziet, pakt, betast en draait het boek maar komt er niet in. Voor de ik ligt het boek en altijd verging hem het spreken daaruit als vanzelf. Hij zegt dan ook in v7: ‘dat [het boek] mij nog nooit naar woorden raden liet’. Maar nu hij er uit vertellen wil, is het alsof hij geblokkeerd raakt en niet de juiste woorden kan vinden. Overigens krijgt het gedicht vanaf v2 ook een poëticale dimensie. Het gaat in dit gedicht eveneens over het dichterschap als zodanig.

In de derde strofe licht de dichter zijn relationele en poëticale worsteling nader toe. Hij komt tot de slotsom dat passie en emotie zich niet in letters, in gedichten, laten vangen. Daarvoor zijn hartstochten te groot en gedichten te klein. Toch is er op deze bewering wat af te dingen. De versregels 10 en 11 zijn op te vatten als een concessieve bijzin van v9: ‘Geen hartstocht komt in letters tot bedaren’. Want hoewel woorden de storm van de hartstocht niet luwen, zegt de dichter dat hij – desondanks – altijd zijn gevoelens in woorden kwijt kon, zelfs ‘als wij uitgesproken waren’. Het woordje ‘als’ moet hier als een iteratief voegwoord beschouwd worden, in de betekenis van “telkens”. En het gebruik van het persoonlijk voornaamwoord ‘wij’ benadrukt dat er tussen de ‘ik’ en ‘jij’ veel meer is dan een oppervlakkig contact.

V12 en 13 van de laatste strofe zijn te duiden als een redengevende bijzin van de voorafgaande, derde strofe. De inhoud van dit fragment geeft een nadere verklaring van de opvatting dat hartstochten zich niet laten vangen in woorden. Er is volgens de dichter immers niets dat zich kan meten met ‘adem’, met het leven als zodanig. Versregel 13 oogt cryptisch: ‘geen zin weet zich in stilte te verklaren.’ en betekent mogelijkerwijs dat geen enkel woord zich laat duiden als het niet wordt uitgeademd, wat wil zeggen: als het niet wordt uitgesproken. Een zekere raadselachtigheid is deze formulering evenwel niet vreemd.

De ik-figuur lijkt verwikkeld te zijn in een gevecht tussen zijn diepere gevoelens en het vinden van de juiste woorden daarvoor. Het gedicht krijgt hierdoor ook een persoonlijke dimensie. Voelbaar is de onmacht van de ‘ik’ die hem (steeds) moeilijker hanteerbaar is. Het gedicht sluit af met een concluderende, cryptische hoofdzin: ‘Dat ik niet spreken wil, heb ik verzwegen.’ Wordt hierin manifest dat de dichter het zwijgen in bepaalde gevallen prefereert boven het uitspreken van woorden, zelfs in een gedicht? Hiermee stipt de dichter nogmaals de relationele dimensie aan, namelijk de moeilijkheid elkaar te doorgronden, te verstaan en nabij te zijn.

Kortom, dit gedicht van Wiel Kusters is te typeren als een moeizame maar nauwelijks verholen interactie tussen de ‘ik’ en de ‘jij’, tussen gedachten en ‘woorden’, en tussen dichter en gedicht. Een lyrisch vers waarin de dichter zijn omgang met de ander, zijn dichterschap en zichzelf in al zijn raadselachtigheid tracht te duiden. Dat alles ontdaan van overdaad en smuk; de dagen korten immers en de tijd dringt. Het wordt al ‘Vroeg donker’.

 

 

Zonder palet
Wiel Kusters
Uitgeverij Cossee
ISBN 9789059368965

 

 

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.