Gepubliceerd op: maandag 13 januari 2020

EI 200: Judith Herzberg – De oude man en zijn handen

 

Moeizaam sleept hij zich de gang door
van zijn lange nacht,
wakker, luistert hij en wacht.

Voor hem op de deken liggen
handen, de zijne, de linker, de rechter,
stijf en houtig, moede knechten
hij lacht
om ze niet te wekken, zacht.
Meer nog dan de meesten
hebben ze geklaard
toen ze nog vol warmte waren
onaf werk ligt nog te wachten
maar de makkers
zijn het dienen moe.
Rusten willen zij, verdorren,
aarde in de aarde worden.

Zachtjes om ze niet te wekken
lacht hun hoofd hen toe.
Het hele leven lijkt nu kort
maar de gang van deze nacht is lang.
Kinderhanden, jongenshanden
mannenhanden
in een late blik gevangen
zien elkaar bij avond aan.

Naar Herman Hesse
Der alte Mann und seine Hände

 
____
Judith Herzberg vertaalde het gedicht ‘Der alte Mann und seine Hände’ van Herman Hesse.
Het gedicht opent met een korte strofe. Er is sprake van een oude man die de slaap niet kan vatten. Hij lijkt ongedurig, luistert en wacht. Waarop weten we nog niet. In ieder geval valt de nacht hem zwaar. Stilistisch wordt dat benadrukt door het pleonastisch gebruik van ‘moeizaam’, een kenmerk van de werkwoordelijke uitdrukking zich ergens doorheen slepen. Dat ergens is ‘de gang van zijn lange nacht’: een genitiefvergelijking waarin de lange nacht wordt vergeleken met een ‘gang’ die overdrachtelijk moet worden geduid. De gang van de oude man is er een van afscheid nemen, namelijk van het leven, in het bijzonder van zijn handen. In het gedicht wordt die zware ‘gang’ suggestief luister bijgezet door de ingetogen monoloog die de man over zijn handen voert.

Wat in deze openingsstrofe opvalt, is het gebruik van een strakke, trocheïsche versmaat gelardeerd met het overvloedig aanwezige klinkerrijm met ‘a’. Zij versterken de monotonie van het tikken van de tijd en komen naadloos overeen met de Duitse bron:

Mühsam schleppt er sich die Strecke
Seiner langen Nacht,
Wartet, lauscht und wacht.

Mooi vertaald is de derde versregel. In het origineel lezen we een enumeratie van drie persoonsvormen. Herzberg kiest – ook omwille van het metrum – een andere syntax. Zij vertaalt het Duitse ‘wachen’ met ‘wakker [ zijnde ]’, een beknopte bijzin.

Dan volgt de tweede strofe van maar liefst 13 versregels. Het metrum is niet meer strak trocheïsch. Antimetrie en jamben sluipen het gedicht binnen en maken het metrum minder gespannen. Het is alsof de oude man zelf ook rustiger wordt. Er daalt berusting over hem neer. Vervolgens is er een intiem relaas: een mijmering waarin de oude meester zijn loyale knechten liefdevol dankbaarheid toont. Makkers zijn het, die hem zijn leven lang trouw bleven en onvermoeibaar aan zijn zijde stonden. Het zijn de zwoegers die in dit gedicht alle lof toegezwaaid krijgen.

De oude man beziet zijn beide handen, die gestrekt voor hem liggen. Wat hebben ze een groot deel van hun leven geploeterd en wat zijn ze nu moe. Hij glimlacht naar ze. Hij gunt ze hun welverdiende rust. In zijn mijmeringen komen de handen tot leven. Hoe sterk – bruisend en tintelend van vitaliteit – waren ze ooit. In dat verband zegt Hesse: ‘Da sie [ die Hände ] noch im Saft [ waren ]’, wat Herzberg vertaalt met ‘toen ze nog vol warmte waren’, en dat is knap gedaan. Immers ‘im Saft [ stehen ]’ betekent in bloei staan, wat connoteert met handen die nog de weelde van kracht en bloei dragen. Een element van de handen dat Herzberg in haar vertaling niet expliciet vertaalt en Hesse wel vermeld, is dat de handen hun arbeid altijd ‘unverdrossener’, wat wil zeggen onvermoeibaarder dan de meeste anderen, hebben verricht. Herzberg legt meer de nadruk op de hoeveelheid verrichte arbeid.

Maar de handen kunnen niet meer. Ze zijn op en wensen ook niet meer. De tweede strofe eindigt met de versregels ‘Rusten willen zij, verdorren,/ aarde in de aarde worden.’ En dat is vermoedelijk een allusie op de eeuwenoude sententie uit Genesis 3:19, namelijk ‘Memento, homo, quia pulvis es et in pulvem reverteris: Gedenk, mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren’.

Dan volgt de derde strofe. Stilistisch pareltje in deze strofe betreft twee paradoxale stellingen verwerkt in een chiasme. Enerzijds staat er: ‘Het hele leven is kort’ en anderzijds ‘de gang van deze nacht is lang’. In de kruisstelling worden die stellingen recht getrokken: ‘het hele leven’ ‘is lang’ versus ‘de gang van deze nacht’ ‘is kort’. Overigens is de beleving van de tijd aan het einde van het leven zó, zoals Herzberg en Hesse beiden in het gedicht weergeven. Als je jong bent, lijkt het leven nog lang; terugblikkend echter zo kort. En hoe lang duurt de in uren korte nacht niet als het einde nadert, de minuten traag voorbij kruipen en er geen eind aan de nacht lijkt te komen?

Aspecten van de tijd zoals snelheid, onverbiddelijkheid en op- en neergang, worden zowel door Herzberg als Hesse plastisch weergegeven in de asyndetische opsomming: ‘Kinderhanden, jongenshanden / mannenhanden’. Als in een flits is de oude man –de mens– zich de wording van zijn handen, zijn leven, bewust. Op zijn netvlies blijft die ‘gang’ van kind naar man en van man naar grijsaard nog even hangen, maar de oude man weet (en wij weten met hem) dat het zo goed is.

Judith Herzberg demonstreert met deze excellente vertaling haar gave om sublieme Duitstalige poëzie om te zetten in stijlvol en fraai toegankelijk Nederlands. Een prijzenswaardige laudatio op de handen van de mens, zoals we die zelden tegenkomen.

 

 
Vormen van gekte
Judith Herzberg
Uitgeverij De Harmonie
ISBN 9789463360593

 

 

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.