Gepubliceerd op: vrijdag 20 december 2019

EI 196: Dirk Kroon – Razernij – een casestudy

 

Het was hem toegezegd
door zijn geliefde en zichzelf,
zij zouden samen leven
in de weelde van gedeeld genot.

Zij brak haar woord
en liet hem achter
met wie hij was
en nog zou worden.

Zijn weerzin won het
toen hij het geluk zag van
zijn broer, diens vrouw en kind
bij wie hij tijdelijk mocht wonen.

Hij sloeg het kind morsdood,
verwondde slechts haar moeder
en vluchtte in de gekte,
ontstak in tomeloze woede, razernij
die met een dwangbuis werd geknecht.

 
____
De eerste strofe schetst een liefdesbreuk tussen twee jonge mensen. Het leek allemaal zo mooi: ‘samen leven in de weelde van gedeeld genot’. De lange, assonerende ee-klanken lijken het vooruitzicht op dit ‘genot’ te accentueren. In de eerste versregel van de tweede strofe spat die droom bruusk uiteen. Het meisje wil niet meer; zij verbreekt de liefdesrelatie maar erger nog ‘haar woord’ van eeuwige trouw. En dat voelt voor haar vriend, de hij-figuur in het gedicht, als een mokerslag. Ze laat hem achter ‘met wie hij was / en nog zou worden’. In die laatste versregel is het alsof de dichter vooruitloopt op iets wat nog staat te wachten. Het meisje laat hem niet alleen achter zoals hij is, maar ook met de persoon die hij zal worden. Wordt hier niet reeds gezinspeeld op het monster dat in hem huist?

In de derde strofe lijkt de onrust over zijn gemoedstoestand, zijn psychisch welbevinden een positieve wending te nemen. Hij accepteert het onbaatzuchtige gebaar van zijn broer en schoonzus hem in hun huis op te nemen. Hij aanschouwt en ervaart het jonge geluk in het gezin dat inmiddels met de geboorte van een kind is verrijkt. En wellicht is het ervaren van die weelde het laatste zetje om hem te storten in een vlaag van verstandsverbijstering. Het besef dat hem een dergelijk geluk is ontnomen, maakt hem nog wanhopiger.

Qua vorm zien we die gedragsmetamorfose van de hij-figuur al aankomen. De derde strofe die uit slechts één zin bestaat, eindigt met een afsluitende punt. De inhoud is afgebakend: het gaat weer beter met hem. Dan is er een witregel en volgt er in de vierde strofe iets nieuws. In dit geval iets fataals, namelijk de abrupte ommekeer in de gemoedstoestand van de hoofdpersoon. Ineens knapt er iets in zijn hoofd. Hij raakt in een razende psychose en slaat het kindje van zijn broer ‘morsdood’. Dat is hartstikke dood. De uitdrukking ‘morsdood’ is namelijk een (versteende) tautologie. Mors betekent in het Latijn namelijk dood. En het slachtoffer is een meisje zoals we kunnen afleiden uit v10 ‘haar moeder’. Maar daar blijft het niet bij.

In zijn woede brengt hij ook zijn schoonzus – ‘slechts’ – lichamelijk letsel toe. Het bijwoord slechts heeft hier een diepere betekenis. Het betekent niet alleen: in beperkte mate maar het kan in deze context eveneens opgevat worden als te weinig. Hij had beter de jonge moeder ook kunnen doden want verder leven met op het netvlies het doodslaan van je kind is voor de achterblijvende moeder een levenslange nachtmerrie, erger nog dan de dood. De laatste versregels laten er geen twijfel over bestaan. De moordenaar is uitzinnig van woede en kan ternauwernood in een dwangbuis worden afgevoerd. Het laatste woord in v13 ‘geknecht’ betekent vastgebonden. Het diepe, onherstelbare leed heeft dan al plaatsgevonden.

Ik was dit gedicht enkele jaren eerder al tegengekomen in de bundel Moordballaden, een even indrukwekkende als bonte verzameling van op ware moorden gebaseerde gedichten samengesteld door de onderzoeksjournalist en dichter Bart F.M. Droog. Op zijn website beschrijft Droog het familiedrama dat ten grondslag ligt aan dit gedicht:

De ongehuwde 26-jarige M. Kootkar woont bij zijn broer, schoonzus en hun 14 maanden oude dochtertje in. Hij zou gaan trouwen, maar z’n aanstaande vrouw verbreekt ‘het gegeven woord’. Dan gaat M. zich vreemd gedragen. Na een zelfmoordpoging levert de familie hem af bij een gesticht van de hospitaalbroeders van Sint Johannes de Deo, een rooms-katholieke burgerorde die zich ontfermt over geesteszieken. Als hij daar een woede-uitbarsting krijgt laat de orde hem door de politie weer bij
zijn familie afleveren.

Terwijl broer en schoonzus overwegen M. in een ander krankzinnigengesticht te plaatsen, vermoordt hij na enkele dagen in een vlaag van razernij zijn nichtje en mishandelt zijn schoonzus. Kort na de daad werd hij door marechaussee en omstanders met moeite overmeesterd. In de marechausseekazerne wordt M. onderzocht door Dr. Wolff, die hem als ‘gevaarlijk krankzinnig’ diagnosticeert. M. wordt in een dwangbuis afgevoerd naar het Rijkskrankzinnigengesticht in het Noord-Hollandse Medemblik.

Kroon noemt zijn gedicht een ‘casestudy’. Dat is een gedetailleerd studieonderzoek naar een specifiek geval teneinde de complexiteit ervan vanuit diverse invalshoeken te belichten. In Kroons gedicht wordt voornamelijk de razernij als psychisch fenomeen beschreven aan de hand van de lotgevallen van de moordenaar.
Hartzeer, razernij en waanzin liggen dicht bij elkaar en het een leidt niet al te zelden naar het ander. De persoon in het gedicht kan psychotisch zijn geweest. Hij kan ook een periodieke, explosieve stoornis gehad hebben. Het gaat dan om mensen die hun driften niet kunnen beheersen, zonder daarbij eigenschappen te hebben van een antisociale persoonlijkheid (zoals we dat bij psychopaten zien) of van psychotische kenmerken. Een psychose zie je vaak bij mensen met schizofrenie en zij raken in die periode het contact met de werkelijkheid kwijt en kunnen een gevaar voor anderen en voor zichzelf vormen. We zullen nooit helemaal weten wat het geweest is.

 

 

Onder de vogels
Dirk Kroon
Uitgeverij Liverse
ISBN 9789492519535

 

 

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.