Gepubliceerd op: vrijdag 29 november 2019

EI 192: Pieter Boskma – Zijn kielzog valt mij zwaarder dan ik dacht

 

Zijn kielzog valt mij zwaarder dan ik dacht:
hoe kan ik ooit zijn verzen evenaren,
vol klankendans en beeldenpracht
die krachtige uitspraken baren?

Ik dool als Dante door een duister woud
en waar Vergilius zijn voetstap leidde
en hel en hemel voor hem heeft ontvouwd,
zo gaat mijn vader telkens aan mijn zijde

zodra ik ook maar één zin van hem lees
en klemt mijn hand vast in de zijne
en laat zijn licht over mijn poging schijnen

om iets op te schrijven wat hem raakt
en hem tevreden en gelukkig maakt
en ik, wanneer hij eens niet meer ontwaakt,

zal weten: hij is trots op zijn zoon geweest.

 
____
In de eerste versregel wordt de toon gezet. De ik-figuur ervaart het als moeilijk in het spoor van zijn vader te treden. De dichter gebruikt hiervoor een mooie metafoor: de vader als schip, zijn zoon als schuimspoor. En zoals het schip het schuimwater achter zich laat, zo voelt het voor de zoon alsof zijn vader hem achterlaat. Hij kan zijn tempo niet bijhouden. Hij weet zich de mindere. De cadans van de golven wordt in de eerste strofe metrisch versterkt door de dominante jambevoet.

De tweede strofe verplaatst het decor naar de Divina Commedia van Dante (1265 – 1321). Dante doolt in dat grote epos door ‘een duister woud’ (v5), een voorafschaduwing van de purgatorio en het inferno. Dantes gids is Vergilius, de oude meester, die zijn pupil terug naar de hemelpoort geleidt. Ook de zoon, de ik-figuur in het gedicht, gaat in zijn groei naar (geestelijke) volwassenheid en wellicht nog langer door een diep dal maar de vader gidst hem daar doorheen. De vergelijking tussen enerzijds Vergilius en de vader, en anderzijds Dante en de zoon is wellicht een weinig modest, maar de essentie van de vergelijking is eenduidig: beiden – Dante en de zoon – hadden het in hun leven moeilijk.

De lezer dient zich te realiseren dat Vergilius niet in de hemel kon komen. Hij was immers een paganist, een heiden, dus ongedoopt en Dante was katholiek. Voor hem stond de hemelpoort wel open.

In de eerste en tweede strofe is sprake van gekruist eindrijm met afwisselend mannelijk en vrouwelijk rijm.
In v3 en v4 is er sprake van krachtige, korte klinkerrijmen in alternatim met lange a-klinkers:
V3: vol klankendans en beeldenpracht
V4: die krachtige uitsprAken bAren?
De afwisseling benadrukt dat schoonheid en wijsheid in klank, woord en beeld niet zonder hard werken tot stand komen. Het gebruik van ‘baren’ in deze context verwijst daar heel mooi naar.

Stilistisch valt het chiastisch taalgebruik in v6 en v8 op.
V6: ‘en waar Vergilius zijn voetstap leidde’ [zijn verwijst naar Dante]
V8: ‘zo gaat mijn vader telkens aan mijn zijde’ [mijn verwijst naar de zoon]
Het gebruik van chiasmen heeft naast Wortspielerei vaak een inhoudelijke component. Vergilius wordt in de kruisstelling gekoppeld aan de ‘zijde’ van de zoon. In dat opzicht is Vergilius eveneens te duiden als gids op het levenspad van de zoon.

Opvallend zijn verder de stafrijmen in v5 en v7.
V5: ‘Ik dool als Dante door een duister woud’
V7: ‘en [die] hel en hemel voor hem heeft ontvouwd’

In strofe 3 en 4 keert het thema van het gedicht terug: de hunkering van de zoon naar zijn vaders erkenning. Hoewel de dichter weinig gebruik maakt van interpunctie, kunnen we uit het verband afleiden dat in de derde strofe (v9) een nieuwe zin begint die doorloopt tot aan het einde van de laatste versregel. Dat zijn 7 versregels. Het eerste woord van die zin, ‘Zodra’, kan opgevat worden als een voegwoord met zowel een temporele als conditionele denotatie, dus in de betekenis van als of wanneer. Wat daarna komt, is een lange enumeratie waarin uiteenlopende emoties van de zoon worden opgesomd en waaruit enerzijds zijn diepe genegenheid voor de vader blijkt en anderzijds zijn verlangen naar erkenning zoals verwoord in de versregels 14 en 15.

In de vierde strofe valt een drievoudig slagrijm op. Niet storend maar eerder een accentuering van het verlangen van de zoon te weten dat zijn vader trots op hem is geweest.
Opvallend aan de dichtvorm is dat een traditioneel sonnet met een extra geïsoleerde versregel is uitgebreid. Visueel is er qua vormgeving een breuk en de afgezonderde versregel voelt als een schuren langs de waarheid. Qua inhoud is de versregel evenwel een optativus in de vorm van een stelling.

Boskma etaleert in zijn gedicht een in de poëzie veelvuldig voorkomend thema: de relatie tussen vader en zoon. Dit keer vanuit de perceptie van de zoon. Daarbij rijst de vraag waarom de zoon zo heftig naar erkenning snakt. Heeft hij gefaald? Heeft hij zijn vader teleurgesteld? Vragen waarop we in het gedicht zelf niet direct antwoord krijgen maar die de lezer wel aan het denken zet.
____

 

 

Van de zoon en de zee
Pieter Boskma
Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN 9789403108506

 

 

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.