Gepubliceerd op: maandag 4 november 2019

EI 186: Vrouwkje Tuinman – Bedscène

 

De eerste keer dat ik iemand dood vond
met zijn handen omhoog was het een kikker,
platgereden op de Lauwerecht en perfect
gedroogd. Hij mocht niet mee naar huis
van degene met wie ik liep. Sindsdien
heb ik spijt, en kijk ik elke keer als ik
die straat door rijd of ik de kikker zie.

Pas twintig jaar later zag ik hem, heel
ergens anders, net zo plat, maar nu
met één hand omhoog en één op zijn hart.

De volgende keer dat ik iemand dood vond
met zijn handen omhoog was jij het,
achterover in bed, je armen en
benen gespreid alsof je hoopte zo
meer lucht te krijgen, de zuurstof die
doelloos om jouw leeggelopen borst
heen dreef, die nooit je hart bereikte.

Iemand hield een zakje voor me open.
Nu bezit ik jouw ring en een platte kikker,
ik rijd ondienstig door de straten.

 

____
In de eerste strofe keert de dichteres terug naar haar jeugd, waaruit ze een herinnering oproept aan een platgereden kikkertje. Dat raakt haar op de een of andere manier. Het puitje lag op zijn rug met gespreide voor- en achterpootjes. Ze had hem het liefst mee naar huis genomen, maar dat mocht niet. Kinderen verzamelen wel vaker dode diertjes zoals krekeltjes, bijen of vlinders. De dichteres heeft een zwak voor kikkers. Het zien van het overreden boerennachtegaaltje zoals hij ook wel wordt aangeduid, is voor haar tevens de eerste kennismaking met de dood. Het beeld van het levenloze amfibietje zou haar niet meer loslaten. Dat ze hem niet meenam, heeft haar altijd gespeten. Spijt is in deze context een zwaar woord maar niet voor een kind dat treurt om het gedwongen achterlaten van een platgereden kikvorsje.

Het meisje groeit op maar ze blijft naar het kikkertje zoeken; ze is altijd alert op de ‘Lauwerecht’, een straat in een kleine, gelijknamige wijk in Utrecht. Het lijkt een tevergeefse zoektocht te zijn maar eindelijk, na 20 jaar, ziet ze hem weer, weliswaar niet dezelfde en ook niet op de Lauwerecht maar een andere en op een gans andere plek. Opnieuw platgereden maar deze keer met een pootje omhoog – uitgestrekt boven z’n kopje – en het andere op het hart, alsof hij zich zichzelf wilde beschermen. Het ‘hart’ heeft hier bovendien een prospectieve betekenis. Later zal de dichteres haar geliefde door een fataal hartfalen ook dood aantreffen.

We naderen dan het voorjaar van 2018. De dichteres is inmiddels ruim volwassen en deelt haar leven met de schrijver-dichter Starik. Het voorval met het dode kikvorsje uit haar jeugd zou waarschijnlijk niet zo nadrukkelijk hebben opgespeeld als zij niet op 16-3-18 plotseling, voor de derde keer, wordt geconfronteerd met de dood. Nu echter met de dood van haar geliefde. De kinderervaring van toen krijgt tegen die achtergrond reliëf, een diepere betekenis. Het lijkt erop alsof de ervaring met de platgereden work achteraf beschouwd een voorteken is van wat haar te wachten staat.

In de voorlaatste strofe voltrekt zich dat noodlot. Ze vindt haar geliefde getroffen door een hartaanval, levenloos in bed, liggend op zijn rug, de benen gespreid en de armen omhoog. Was dat wellicht een ultieme poging – zo denkt ze – om de laatste ademtocht nog wat extra lucht te geven, om het leven nog wat te rekken? De beelden van het platgereden kikvorsje van weleer flitsen op. Het kleine kinderverdriet van toen en het grote mensenverdriet van nu vloeien naadloos in elkaar over. En net zoals lang geleden op de Lauwerecht kan ze hem ook nu niet meenemen. Niet onvoorstelbaar is echter dat het geschetste contrast de lezer enigszins schuurt.

In de laatste strofe keert nog een keer het beeld van het puitje terug. Na de abrupte dood van haar geliefde wordt zijn ‘ring’, zijn verbond met haar, afgedaan en glijdt het kostbare kleinood als een relikwie in een ‘zakje’ zoals ooit het kikketje dat was. En ze weet dat elk zoeken naar hem ‘ondienstig’ ofwel nutteloos zal zijn.

De taal in het gedicht is eenvoudig, eerder luchtig dan zwaar van toon. Er is geen zwelgen in verdriet. De stijl kent geen opsmuk. De ik-figuur toont – aan de oppervlakte – weinig emoties, beschrijft betrekkelijk zakelijk wat haar overkomt. Toch verrast het gedicht. De beschrijving van een klein kinderverdriet om de dood van een platgereden puit, die geruisloos culmineert in een tragische, wrede ‘bedscène’, in een bevroren beeld van een alles verpletterende dood.

____

 
lijfrente

 

Lijfrente
Vrouwkje Tuinman
Uitgeverij Cossee
ISBN 9789059368637

 

 

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.