Gepubliceerd op: vrijdag 4 oktober 2019

EI 181: Hagar Peeters – Soms heb ik wel een dood voor je over

 

Voor L.N.

Soms heb ik wel een dood voor je over
als je gebogen ligt, zwak en ziek bent
en nog zindert van begeerte en ambitie
als je levenloos de dood op afstand jaagt

Met nieuwe woorden en me verklaart
dat jaren in eenzaamheid beter rijpen
dan in gezelschap van wijzen, als je zelf
het lijk geworden bent dat je schrijven

Moest verhelpen, och, dan heb ik toch
zo’n dood voor je over maar begrijp je
dat het liefde is die zich verkleinde tot je graf,
alleen om je heelhuids te verpakken?

Soms heb ik wel een dood voor je over.
Dan roken we samen de kou weg met ons overschot
en wat er daarnaast nog van ons overschiet,
stoten elkaar de laatste woorden naar de strot.

 

____
De titel van dit qua strofenbouw traditioneel ogende gedicht is geen alledaagse constructie, ook geen bestaand gezegde, eerder is het een paradoxale formulering. Je kunt iets voor iemand overhebben, wat wil zeggen dat je iemand iets gunt. De gever verricht een daad van welwillendheid, maakt een onbaatzuchtig gebaar. Maar een dood voor iemand overhebben, wringt. Hoe kun je voor iemand een dood overhebben? De onconventionele formulering van de titel zet de lezer aan het denken.

De fraaie alveolaire alliteratie (z) en de langgerekte assonantie (oo) in de eerste strofe geven de opening van het gedicht een zekere gedragenheid die past bij een Dood die reeds zijn donkere vlerken over het leven van de aangesprokene heeft geslagen.

Nu weer terug naar de titel. De dichteres heeft met deze ongewone formulering ongetwijfeld iets voor. Ze zegt dat ze ‘soms’ voor de aangesprokene, de jij-figuur, ‘een dood’ overheeft? Dus in de meeste andere gevallen heeft ze dat niet. De ik-figuur gunt hem dat bovendien alleen, wanneer er aan een aantal momenten en voorwaarden is voldaan. Die worden in het gedicht expliciet genoemd en drie keer ingeleid door het voegwoord ‘als’. Ze staan in v2 t/m v9. Pas als daaraan is voldaan, heeft de lyrische ik ‘een dood voor /de aangesprokene/ over’.

De drie opgesomde voorwaardelijke bijzinnetjes in het eerste en tweede kwatrijn effenen de weg naar een plausibele verklaring voor die bereidwilligheid van de ik-persoon. Opvallend is dat de titel in strofe 1, 3 en 4 ook drie keer herhaald wordt. Is dat bewust of toevallig? Verwijst het getal drie misschien naar een diepere betekenis? Naar het drieluik vader, moeder, kind? De rest van het gedicht staaft deze veronderstelling echter niet.
In het gedicht komen maar twee personen voor. De lyrische ik en een niet nader toegelichte persoon met wie ze een gesprek voert. Is die persoon een geliefde, een ouder, een kind of toch een ex-geliefde? De dichteres geeft daarover weinig prijs. Het blijft gissen. Een ding is zeker; de gevoelens van de ik-figuur jegens de aangesprokene zijn ambigu. Overigens is het gesprek niet echt een dialoog maar veel eerder een innerlijke monoloog.

In v9 en 10 ‘och, dan heb ik toch zo’n dood voor je over’ wordt een nieuwe connotatie aan de titelregel toegevoegd, namelijk compassie. De ik-figuur voelt meer dan alleen medelijden maar toont ook mededogen voor de aangesprokene. Maar die gevoelens zijn van korte duur. De ik-figuur maakt duidelijk dat haar liefde, haar welwillendheid en compassie zich beperken tot de engte van het ‘graf’. De lezer wordt opnieuw in verwarring gebracht.
Heeft de aangesprokene, de stervende, die kortstondigheid van affectie soms verdiend? Heeft hij zich in het verleden een dergelijke bejegening over zich afgeroepen? En heeft de ik-figuur alleen nog maar een dood voor / hem / over? Dat werpt een nieuw licht op de verhouding tussen de ik en de jij. In de derde strofe zijn er opnieuw paradoxale gevoelens van de ik ten opzichte van de aangesprokene.

In de laatste strofe lijkt er toch weer voldoende medemenselijkheid van de ik te zijn om nog eenmaal de kou – de kilte tussen hen beiden? – te trotseren en in gemeenzaamheid samen te zijn met dat weinige wat van hen beiden dan nog over is.
Maar die laatste strofe laat ook een geheel andere interpretatie toe. De titel verwijst in dat geval naar een zelfopoffering, een volledige overgave van de ik-persoon aan de aangesprokene. Alsof de ik – en jij-figuur samen in een kist liggen met hetgeen nog van hen over is en dat ze de laatste zuurstof verbruiken om hun lichamen in de kou warm te houden. De ‘laatste woorden’ die ze spreken verbruiken de laatste zuurstofpartikels en grijpen hun ‘naar de strot’. Letterlijk want het zal hun dood worden. De ik heeft dan haar eigen dood voor de aangesprokene over. Een soort van folie à deux zoals dat in de psychiatrie heet.

De versregels worden naarmate het gedicht vordert, steeds vrijer, de klanklaag wordt ondergedompeld door de vele connotaties van de titel. Ze maken de geschetste verhouding tussen beide personen steeds complexer en meerduidiger. Kortom, Peeters trakteert de lezer op de ingewikkeldheid van relaties en het daarmee samenhangende labyrint van uiteenlopende, contrasterende gevoelens.
____

 
alleenstaande_moeder

 

de schrijver is een alleenstaande moeder
Hagar Peeters
Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN 9789403167305

 

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.