Gepubliceerd op: vrijdag 23 augustus 2019

EI 172: Greta Monach – Langzaam

 

Langzaam, als een gedicht,
rijpen de bessen
zwaar en rond
en rood en zwart
en glanzend, triomfantelijk
zich latende torsen door zwoegende takken
haast vallend in de violette heide

verbleekt is het bloemverleden
het springen uit de knop
als een gedachte

en zie, de heide schittert
in het lage licht

____
Zoals bessen langzaam rijpen en kleuren onder de zomerzon, zo rijpen gedichten onder de zon van het dichterschap. Met die expressieve vergelijking zet de dichter direct de toon. De traagheid van wasdom in de natuur alludeert op de wording van woorden tot regels en van regels tot vers. Stijlvol begint in v3 een fraaie, syndetische opsomming ‘zwaar en rond en rood en zwart en glanzend’. Na ‘glanzend’ kan er een nieuwe zin gelezen worden. De gerijpte bessen laten zich in hun volle zomerdracht ’triomfantelijk’ – wat wil zeggen opgetogen en trots – dragen door ‘zwoegende takken’.

En als we dit beeld doortrekken, is de weg naar de gerijpte vrucht – het voltooide vers – moeizaam en niet zonder strijd. De oogst echter is die van overdaad, luister en victorie. Diep in de aarde hebben wortels – laborieus – hun arbeid verricht. Nu zijn het de struiktakken die de zware vruchten ‘torsen’. Zwoegen moeten ze om de bessenpraal overeind te houden. Niet alleen zijn die ‘zwoegende takken’ in v6 een mooie personificatie, maar zij zijn ook een geslaagde hypallage. Wordt immers niet bedoeld dat de dichter zelf eveneens moet zwoegen om dat, wat diep verborgen zit, naar boven te halen?

Inmiddels is het hoogzomer, nog kleurt de heide paars, maar niet voor lang meer. De plastische overgang naar de 2e strofe is confronterend. Zo kort slechts bloeiden struik en tak, pronkend de blanke bloesems. Wrang klinkt dan ook de assonerende openingsregel van deze strofe: ‘verbleekt is het bloemverleden’, als een flits zo snel voorbij.

In de 3e strofe trekt de einder de zon al lager en lager. Steeds vroeger en valer dempt het schemerlicht de geurende hei. Even nog en de herfst kondigt zich aan en rolt de koude winter zich als een deken over het paarsstervende heidebed. Toch eindigt het gedicht niet somber. In tegendeel, de laatste versregels eindigen bijna jubelend want: ‘zie, de heide schittert in het lage licht’. Het lijkt eerder een aansporing de ogen niet te sluiten voor de praal van die eindeloze, stervende hei; wellicht een hunkering deel uit de maken van een groter geheel, een grotere schepping.

Het gedicht is weliswaar kort maar rijk aan symboliek en connotatief woordgebruik. ‘Violet’ in v7 refereert aan de paarsrose heidegloed. Maar violet heeft ook een mystieke lading: een zoektocht naar diepere lagen van het gemoed. Is hier sprake van ego-analyse? Of is het toch meer een poëticaal vers?

‘Het lage licht’ in de laatste, allitererende versregel doet denken aan de luister van de ondergaande zon. En misschien moeten we de duiding van het gedicht toch wat dichter bij huis zoeken. Schrijft Monach hier allereerst niet een puur natuurvers? Een ode aan de schoonheid van ontluikende, bloeiende en stervende struikbessen als verdwaalde stippen op een stille, uitgestrekte hei?

____

 


Greta Monach (1928 – 2018) is vooral bekend om haar sound poetry. In haar nalatenschap zitten ook Semantische verzen, zoals bovenstaande. Ze zijn niet eerder gepubliceerd.

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.