Gepubliceerd op: vrijdag 16 augustus 2019

EI 169: Paul Demets – Kijker

 

Het gras snijdt. De vrouwenmantel dekt niet alles toe.
Ons liggen verwaait. Geen halm zal laten zien dat we
hier waren. Wat als we in de poel zouden springen,
het water in tweeën verdelen, kreten laten

ontsnappen uit onze kelen, geschroefd door de kou?
Dan missen we de stilte waarin drielettergrepig
een vogel zijn dialogen voert. Je kijkt door de lens.
Je vertelt me hoe een putter de bloemhoofden plukt

van een kaardenbol. Hoe hij met een vingerhoed water
kon scheppen, overvol, zo zeg je, schilderde Fabritius.
Zoiets verzint dus alleen een mens als die schilder of jij.
Altijd weer die putter met de bloedvlek op zijn kop.

Door iemand te helpen, zeg je. Hij kon geen kant meer op.

____
Het woord ‘Kijker’, de titel van het gedicht, kan op diverse manieren geduid worden. Het kan verwijzen naar een persoon zoals toeschouwer, waarnemer of ooggetuige en het kan verwijzen naar een voorwerp zoals verrekijker of telescoop. Kijker kan ook nog oog betekenen.
Blijken zal dat het schouwen en bespieden van de omgeving in dit gedicht een dominante rol speelt.

Het eerste kwatrijn verplaatst de lezer naar het buitengebied. Een biotoop met vochtige gronden waar ‘vrouwenmantel’ gedijt als een stevige, struikvormige plant met welige bloei, her en der omzoomd door grasachtige halmen, zoals lisdodden en bies. Gewassen die in zomertijd snel reiken tot een hoogte van enkele meters. Daar, tussen die hoge, messcherpe grashalmen liggen twee mensen.
Zijn het twee geliefden? Nee, eerder twee natuurliefhebbers die vanuit hun beschutte plek speuren naar vogels. De wind dekt hun schuilplaats toe met wuivende halmen zodat zij onzichtbaar blijven voor het scherpe vogeloog. Ze lijken opgeslokt door het zomerkleed van de aarde. Nooit zal iemand bevroeden dat zij daar ooit lagen. De wind wist hun sporen uit, zoals dat mooi is weergegeven in v2 ‘Ons liggen verwaait’.

Dan volgt er in v3 t/m 5 een vraag. Blijkbaar ligt er in hun directe nabijheid een plas of oude drinkplaats voor het vee. Zouden ze erin durven ‘springen’? Maar dan zou de serene stilte verbroken worden. Het water zou door hun sprong ‘in tweeën’ gespleten worden. Is dat een verre allusie op wat zich ooit afspeelde in de Rode Zee waar Mozes de zee in tweeën kliefde? Het lijkt er niet op. Het gedicht focust zich, vanaf v5, op het gevolg van menselijke ‘kreten’. Kreten die door het koude water uit het strottenhoofd worden geperst tot diepe oerklanken. De ‘stilte’ zou verbroken worden en de vogels verjaagd. De vogelaars zitten als het ware aan elkaar vast. Zij vormen een twee-eenheid.
Beter is het de stilte onverbroken te laten. Hoorbaarder is dan het gekwetter van vogels die in hun eigen dialect lokken, roepen of alarmeren. Stilte en spotten zijn voor vogelaars een heilige twee-eenheid die zich niet verbreken laat.

Vanaf v7 t/m 10 verandert het lezersperspectief plotseling. Het lijkt erop dat de twee-eenheid, vastgeklonken in de voornaamwoorden ‘we’ en ‘ons’, toch gescheiden wordt. De vogelaars krijgen een gezicht. Ze worden jij en ik. De een – de fictieve ik-figuur – vertelt hoe de ander de lens pakt en de omgeving afspeurt. Waarna hij vervolgens vertelt dat een vogeltje zich tegoed doet aan de zadenovervloed van een ‘kaardenbol’.
Het is een ‘putter’, een vinkachtig zangvogeltje met een markant eigen ‘drielettergrepig’ geluid dat als tswit-wit-wit klinkt. De ik-figuur krijgt daarna nog enkele bijzonderheden over de putter te horen. In het bijzonder over diens beroemde, geketende vereeuwiging door de schilder Fabritius in 1654.

Inmiddels zal het de lezer niet zijn ontgaan dat er in de relatie tussen de twee vogelaars nieuwe informatie wordt blootgelegd. Het lijkt erop dat de ene vogelaar de leermeester is en zijn metgezel de leerling. Waarschijnlijk is dat de leermeester een oudere en de leerling een jongere spotter is.
Uit de dialoog tussen beide vogelaars blijkt verder dat de oudere vogelaar de verteller is en de jongere de luisteraar. Daarbij gebruikt de dichter een bijzondere verhaaltechniek. Hij laat de luisteraar, de jongere vogelaar dus, samenvatten wat de oudere hem vertelt. Voelbaar daarbij is dat de jongere zich aan de oudere begint te ergeren.
Die irritatie betreft met name de mythevorming rondom de bijnaam van het distelvinkje. Het vogeltje zou namelijk zelf met een klein emmertje of vingerhoedje water uit een waterbakje kunnen putten. De ik-figuur herhaalt in v7-9 de woorden van de oudere vogelaar:

Je kijkt door de lens.
Je vertelt me hoe een putter de bloemhoofden plukt

van een kaardenbol. Hoe hij met een vingerhoed water
kon scheppen, overvol, zo zeg je, schilderde Fabritius.

Deze woorden in de dialoog tussen beide vogelaars klinken geenszins onaardig. In de daaropvolgende twee regels, v11 en 12, verandert de sfeer en de toon grondig. Het is alsof de ik-figuur dat geleuter over de putter als zou deze met een minuscuul emmertje water kunnen putten, spuugzat is. Het felrode kapje achter op het kopje van het vogeltje wordt in v12 beslist niet aandoenlijk aangehaald. De putter met die vermaledijde bloedvlek roept allerlei associaties op. Allereerst verwijst ‘altijd’ naar een steeds terugkerende irritatie bij de jongere vogelaar als de putter weer ter sprake komt. Daarnaast roept bloedvlek ook iets onheilspellends op. Kan het niet geduid worden als smet of brandmerk? Of als een noodlot waaraan niet te ontkomen is?

Dan rijst de vraag of er tussen de vogelaars niet ook een bloedband is. Hebben we hier niet te maken met een vader-kind-relatie? Een relatie die eerder neigt naar vader – zoon, dan naar vader – dochter. Ook al omdat de dichter autobiografische elementen in zijn poëzie niet schuwt. Vanuit dat perspectief krijgt de cryptisch geformuleerde slotregel een diepere dimensie. In de 2e strofe wordt hierop al gepreludeerd, namelijk op het geketende vogeltje van Fabritius. Voelt de zoon zich beknot in zijn vrijheid? Is hij het gezemel van zijn vader zat? Of is het andersom? Is het de vader die zich in zijn vrijheid beperkt voelt door zijn zoon? We gaan die laatste versregel nog eens nader bekijken.

De regel staat als eenregelige strofe geïsoleerd en is door witregels van de drie voorafgaande kwatrijnen afgescheiden. De regel omvat twee korte zinnetjes. Het eerste zinnetje: ‘Door iemand te helpen, zeg je’ maakt nog deel uit van de dialoog die de ik-figuur, de zoon dus, voert met zijn door de lens turende vader. De vader legt zijn zoon uit waarom het zo met het puttertje is gelopen. Zijn vrijheid werd hem eeuwen terug ontnomen om zijn kooienaar gezelschap of wat verstrooiing te bieden. Zo werd hij een felbegeerde kooivogel, een gezellige huisgenoot maar hij ‘kon geen kant meer op’.

Zouden we niet in overdrachtelijke zin kunnen interpreteren dat de twee vogelaars onlosmakelijk aan elkaar gekluisterd zijn? Dat het lot hen ooit samenbracht. Lijken zij door de bloedband niet ook aan elkaar – als vader en zoon – gebonden te zijn en zijn zij daardoor tegelijkertijd niet ook elkaars figuurlijke gevangenen? Zij zitten door die bloedband voor altijd aan elkaar vast zoals de putter via het kettinkje aan zijn kooienaar.

En zo komt de vader niet van zijn zoon los en omgekeerd de zoon niet van zijn vader. En toch blijft het distelvinkje zingen en wil de kooienaar hem voor geen goud kwijt.
____

 

De klaverknoop
Paul Demets
Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN 9789403123301

 

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.