Gepubliceerd op: zondag 28 juli 2019

R31: Cerberus (begin)

 

Evenals de volwassenen hadden de kinderen hun schors- en bladerkledij verwisseld voor de battledresses die ze de lijken der soldaten hadden uitgetrokken. Die lijken lagen overal, zonderlinge langwerpige
paketten waarvan niet de inhoud maar uitsluitend het omhulsel telde. Het was geen wreedheid die de kinderen de lijken naakt uitschudden deed. Ze hadden niets tegen de lijken, koesterden zelfs een heimelijke eerbied voor ze. Ze begrepen niet goed hoe ze daar terechtkwamen in hun rotsstad, in spleten en kieren van het gesteente, in dunne bronaders, overal, als door het bos afgeworpen vruchten. Ze ontdeden hen volgens eis en voorbeeld der volwassenen van hun koppels, broeken, jekjes, onderkleding en schoenen.
De lijken werden daarna door mannen die vroeger tuinier geweest waren en die onder leiding stonden van een zekere Magus, weggesleept omdat ze reeds waren gaan ruiken en de insekten uit de bomen naar beneden trokken door hun geur. De tuiniers verborgen hun vrachtjes op plaatsen die de kinderen niet kenden en die de volwassenen hen niet onthullen wilden. Waarschijnlijk kenden ze die plaatsen zelf ook niet en wilden ze ze niet kennen. De kinderen voelden dat de volwassenen, op de nijvere en meestal zwijgzame tuiniers na, een verborgen angst hadden voor de lijken, een angst die ook af te leiden viel uit de weinige huiverige woorden en veelzeggende gebaren die ze in gesprekken eraan besteedden en waar de kinderen niet uit wijs konden worden.
De kinderen waren in het geheel niet bang voor de lijken. Telkens als ze er een paar ontdekten werden ze in triomf door een hele groep van hun kledingstukken ontdaan en grondig bestudeerd. De tuiniers, half kwaad, half geamuseerd, moesten de lijken soms met geweld en bedreigingen uit de handen der kinderen halen, die er spelletjes mee deden, paardje reden op hun pestilente ruggen en buiken. Wanneer de tuiniers zich eenmaal meester gemaakt hadden van hun prooi trokken ze, terwijl een paar van hen de kinderen in toom hielden met allerhande verhaaltjes, er haastig mee weg, allerlei voor de kinderen onbegrijpelijke kwinkslagen makend en brullend van het lachen, wat de kinderen het gevoel gaf dat ze voor het lapje gehouden werden.
Meesmuilend, verveeld tegen losliggende stenen trappend met hun veel te grote lompe rijgschoenen, scharrelden ze naar de ouderlijke grot aan de ingang waarvan hun vader met een paar steenschilfers vuur sloeg. Op dat vuur bereidde hun moeder de kleine dieren, vogels, en de weinige planten en paddestoelen waarmee ze zich voedden. De kinderen doken de grotten in die hen vaag herinnerden aan de tijd dat hun ouders vergeefs, korzelig, koortsachtig gepoogd hadden iets onduidelijks tegen te houden, iets waaraan
enkel de kinderen plezier beleefd hadden. Er heerste in de grotten hetzelfde donker als hen toen omgaf. De grotten waren ruim, diepe schimmelige kelderruimten die vele spelletjes mogelijk maakten doordat ze niet allemaal op dezelfde hoogte lagen maar soms vlak boven elkaar en door pikdonkere kronkelgangen met elkaar verbonden. Er waren hele verdiepingen, de gangen stegen en daalden, wagenwijd of adernauw, kruisten elkaar, maakten iedere tocht warrig en elke uitkomst onberekenbaar, vervormden je stemgeluid en schiepen schaterende echo-effekten.

—-
Lees het volledige hoofdstuk online op dbnl.

 

vuur

Over de auteur

Ranonkeljaar

- Het bijzondere boek Ranonkel verscheen in 1969. Het bestaat dus 50 jaar. Bovendien is de schrijver, Jacques Hamelink, in januari 80 jaar oud geworden. Alle reden om 2019 uit te roepen tot Ranonkeljaar. Iedere week behandelen we op ooteoote.nl een hoofdstuk.