Gepubliceerd op: donderdag 5 maart 2015

De regels XXXVI

‘we praten onze botten graag bij elkaar.’
uit ‘Toch het begint III’, Sasja Janssen

Het begint met de taal. Zonder taal horen de botten niet bij elkaar. Spieren en huid, allemaal nuttig om de ergste gaten te bedekken en de boel te laten draaien, maar zonder taal ontbreekt de eenheid.

‘Toch het begint’ is een scheppingsgedicht dat vertelt over het begin van de mensheid. De zinnen zijn nog heet van het scheppingsvuur, er zitten klonten half gevormde materie die hun grammatica nog niet gevonden hebben. Het kolkt en het broeit van wordingsdrift. Deze regel staat er heel nuchter en coherent tussen. Maar hij suggereert tegelijk een verregaande onttakeling. Wie zijn ‘we’ als onze botten nog niet bij elkaar horen? Hebben ‘we’ dan al een mond, een stem?

Natuurlijk waren mensen al lang mensen voordat er taal was. Al zouden die zichzelf nooit als mensen definiëren. Omdat ze geen taal hadden. Het komt heel dicht in de buurt van een cirkelredenering. Dichters houden ervan om nadruk te leggen op het belang van de taal. Wij praten onze botten graag bij elkaar.

Botten

De regel is een machtsgreep. In veel scheppingsverhalen is het woord of de adem van een god nodig om de mens te bezielen. Hier knappen ‘we’ het zelf wel op.

Drie lange a’s vormen de ruggengraat, op de eerste en de laatste klemtoon en op ‘graag’ daartussen. Twee keer staat er een r voor die a, en een keer erna. De ‘botten’ wijken af in klank. Het vreemdste woord is natuurlijk ‘graag’. Als het er niet in stond zou de regel volkomen jambisch zijn. Nu wordt de beweging doorbroken.

Dat ‘graag’ wekt een vreemde spanning. Alsof de meest existentiële drang, bijeen te blijven, een genoeglijke, vrijblijvende bezigheid zou zijn. Maar juist door ‘graag’ wordt het bij elkaar praten van de botten een toestand in plaats van een gebeurtenis. Daarin wordt de schepping niet een begin dat je achter je kunt laten, maar iets wat je levenslang moet blijven hernieuwen, tot je je spreekvermogen verliest en je botten uiteindelijk weer uiteenvallen. Het is nog een geluk dat we het graag doen.

Elke week onderzoekt Han van der Vegt hier de geschreven en ongeschreven regels van de Nederlandse poëzie.

Over de auteur

- is dichter en vertaler. Zijn bekendste gedicht is Exorbitans, dat niet alleen als bundel maar ook als ruimteopera op cd is verschenen, met muziek van Jan Frans van Dijkhuizen. In 2015 verschijnt zijn nieuwe bundel Navigatiesystemen. Han van der Vegt schreef ook de kinderboeken Het rode ei en Het zwarte ei.