Gepubliceerd op: woensdag 18 februari 2015

‘Met steeds grotere tegenzin gebruikte ik een deel van mijn eigenlijk veel te kostbare tijd om mijn geld op de een of andere manier uit te geven.’

jan arends

Je kunt natuurlijk van alles doen tijdens de Week van het Korte Verhaal. Maar omdat de week bedoeld is om extra aandacht te krijgen voor het korte verhaal binnen de (Nederlandstalige) literatuur, besluit ik vooral korte verhalen te herlezen. Verhalen die in mijn geheugen gegrift staan. En onvermijdelijk is het eerste verhaal waaraan ik dan denk ‘Barre Welvaart’ van Jan Arends.

De honoraria die een schrijver voor zijn verhalen, artikelen of gedichten vangt, zijn zoals iedereen weet altijd bijzonder hoog geweest. Ze waren dat al voor de oorlog. Een vette tijd! Toen al wist de schrijver geen raad met zijn welvarendheid. Na de oorlog toen men voor een appel een daalder betaalde en een ei in het geheel niet te koop was, liepen de prijzen die de redacties en uitgevers voor zelfs het meest simpele artikeltje betaalden, op tot ongelofelijke hoogte. Daarna is er even een korte tijd van verademing geweest. Een schrijver die toen voldoende tijd had om deel te nemen aan het uitgaande leven, zag in die periode juist kans een zeker evenwicht tussen inkomsten en uitgaven te handhaven. Op het ogenblik worden er zulke schandelijk hoge prijzen betaald, dat vele schrijvers besloten hebben in het vervolg niet meer te publiceren.

Dit begin zet niet alleen de hilarische toon, maar introduceert ook de absurde premisse van het verhaal: een geldoverschot waaronder de hele samenleving gebukt gaat. Bovendien toont het meteen ook de thema’s die Arends binnen de door deze premisse geschapen ruimte gaat behandelen: de waarde van kunst (en i.h.b. literatuur) ten opzichte van economische waarde, en waarom een schrijver schrijft.
Het geldoverschot leidt in dit verhaal niet tot inflatie. Het overschot betreft de fysieke manifestaties van het geld: bankbiljetten en munten. Het geeft een heel andere kijk op de rol die de bancaire sector heeft.

Het is de taak van een bankier de beschikbare ruimte zo rechtvaardig mogelijk te verdelen. Iedereen zit vandaag de dag immers met het geld-opbergprobleem.

Het korte verhaal gaat over een ‘ik’ die schrijver is en vooral bezig is om van zijn geld af te komen. Hij laat een huis bouwen en stopt dat vol met geld. Hij voelt zich schuldig: ‘Op deze manier kostelijke woonruimte verdoen die zoveel beter gebruikt kan worden!’ Hij brengt een deel van zijn geld naar de bank, maar die wil maar een beperkt deel opnemen. Hij huurt een kamer en die zit binnen de kortste keren ook volgestouwd met geld. Op last van zijn hospita moet hij het afvoeren. Maar hoe?
Binnen dit kader komt in het verhaal diverse keren de vraag naar voren waarom de ‘ik’ doorgaat met schrijven. En publiceren.

Maar mijn zachtaardige natuur, die maakt dat ik de mensen graag geef wat zij vragen, het plezier regelmatig artikelen en verhalen in kranten en tijdschriften te zien verschijnen, en tenslotte mijn gevoel voor plicht, maakte dat ik niet deed wat eigenlijk het meest voor de hand liggende zou zijn: ophouden met publiceren. En dan: hoe triest zou de wereld worden als wij zouden toegeven aan de dwang van een overbelaste geldmarkt. Niet werken. Geen enkele reden om op te staan. Blijven slapen dus maar. Eigenlijk een beetje alsof wij al dood zijn.

De geldzorgen van de getergde kunstenaar zijn in de literatuur vaak beschreven. De geestige premisse van dit verhaal geeft Arends de gelegenheid om erover te vertellen op de omgekeerde manier. Hij doet dat met zichtbaar plezier. Nu eens niet een schrijver die meer geld vraagt, maar juist smeekt om minder.

Wel stuurde ik mijn opdrachtgevers een schrijven waarin ik verzocht de honoraria te herzien en wat lager te maken. Steeds kreeg ik briefjes terug waarin men verklaarde dat men zeer gesteld was op mijn medewerking, maar dat men de prijzen onmogelijk kon verlagen. De geldmarkt was nu eenmaal overbelast. Ook zij wisten niet waar zij met hun overschot heen moesten.

Door het hele verhaal heen loopt het besef dat artistieke waarde iets anders is dan economische waarde. Hoewel op een andere manier dan in onze ‘echte’ samenleving, is het deelnemen aan economische verplichtingen voor de verteller een ballast. Het meest expliciet wordt dit in het citaat dat ik gekozen heb als titel voor dit essay.
Het verhaal is in het Verzameld Werk van Jan Arends opgenomen onder de titel ‘Barre Welvaart’, maar is ook verschenen onder andere namen. Het verhaal is ongeveer zeven bladzijden lang. Het is grappig, maar stelt belangrijke maatschappelijke, economische en artistieke vragen aan de orde. Een pareltje binnen de Nederlandstalige literatuur.

In het verhaal bedenkt de verteller een manier om van zijn geld af te komen. Het lijkt te werken, maar leidt tot grote maatschappelijke verontwaardiging. Hij wordt ‘asociaal’ en ‘misdadiger’ genoemd. En hij moet weer op zoek naar een andere manier.
Het verhaal eindigt met de mededeling van de ‘ik’ dat hij een manier gevonden heeft. ‘Naar mijn mening volkomen legaal. Maar omdat de wet zo raar in elkaar zit dat je nooit kunt weten wat wel en wat niet mag is het beter dat ik aan niemand vertel hoe ik het precies aanleg om van mijn geld af te komen.’ Maar hij wil zijn medemensen wel helpen, en stelt in de slotregels het volgende voor:

Het is eenvoudig. U stuurt mij een klein briefje. een paar dagen later al sta ik met een verhuiswagen voor uw deur. Voorgoed bent u van uw geldzorgen bevrijd. Collegae schrijvers, vooral zij die ook nog van het Fonds voor de Letteren krijgen, dat mij gelukkig overslaat, hebben voorrang.

Over de auteur

Jeroen van den Heuvel

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.