Gepubliceerd op: maandag 19 november 2012

HET DEBUUT VAN EEN WITTE RAAF XVIII

 

 

 

(voor de delen I t/m XVII klikt u hier)

 

Op de Singelgracht raken we beklemd tussen twee tijdrekkende rondvaartboten. Een kwartier duurt het eer we ze ter hoogte van de Brouwersgracht voorbij kunnen steken. In het Westerkanaal liggen de binnenvaartuigen rijen dik. Een laatste ophaalbrug voert ons de Zoutkeetsgracht op en na twee keer vragen hebben we de werf gevonden. Wapperende vlaggen. schuurmans scheepsherstel lees ik. We meren af en melden ons in het kantoor.

‘Schuurmans, wat kan ik voor jullie doen?’ We drukken de man achter het bureau de hand, een pijproker die met zijn volle haardos, ribbroek, overhemd en gilet een uitgesproken gedistingeerde indruk maakt.

‘U heeft toch ook woonboten in onderhoud?’ vraag ik.

‘Een enkele keer. Hoezo?’

‘We zoeken een woonboot die door uw bedrijf is opgehaald. Maand of twee geleden. Lag aan het Jaagpad. Jammer genoeg hebben we geen naam.’

‘Het Jaagpad? Dat zou me verbazen. Wacht, ik kijk het even na.’ Hij trekt een ordner uit de kast en slaat hem plaatsnemend open. ‘Eind februari, begin maart, niet?’ Hij zet een half brilletje op en loopt met zijn vinger een lijst na. ‘In die periode hadden we er maar een paar. Allemaal netjes teruggebracht ook. En geen ervan naar het Jaagpad.’ Hij neemt zijn bril af. ‘Woonboten doen we voornamelijk ‘s zomers als de pleziervaart op z’n gat ligt.’

‘Voor ons werfvolk dan, zogezegd.’ Een wat oudere man sjokt binnen. Bedaard zet hij zijn broodtrommel en een appel op tafel en begint aan het fonteintje handen en armen te reinigen met poederzeep.

‘Ahoi, Van Dorp.’ Schuurmans veert op van zijn stoel. ‘Heb jij paraat wie van jouw mannen in het voorjaar heeft geschuurd en geteerd?’

‘Dat heb ik die twee stagiairs allemaal laten doen. Geen werk voor vaklui.’

‘Môgge samen, hallo zeg jongens …’ Een breed grijnzende Surinamer neemt bezit van de ruimte. ‘Even lekker mijn roti in het oventje, hoor.’

‘Handen wassen is er voor jullie soort niet bij, hè Zeefuik? Eeuwig stelletje geluksvogels.’ Van Dorp schenkt hoofdschuddend koffie en neemt aan tafel plaats. De keet stroomt stilaan vol piepels in overall. Als iedereen zit te eten verzoekt Schuurmans om stilte.

‘Mannen, even je aandacht voor het volgende. Wie van jullie had omstreeks maart, april schippersdienst?’ Een jonge jongen met een smoezelige geruite pet scheef op zijn krullen zwaait met zijn arm. ‘Oege! Heb jij toen nog boten opgehaald van het Jaagpad?’

‘Neu, maister.’ Hij trekt zijn shag en begint te rollen. ‘Niet voorbij de sluizen geraakt.’

‘Niks gezien?’

‘Gezien heb ik zat.’ Hij steekt zijn sigaret aan en inhaleert diep. ‘Breek me de bek niet open.’

Van Dorp legt hem met zijn blik het zwijgen op. Hij schuift zijn stoel achteruit en wenkt ons en zijn baas. We lopen achter hem aan naar buiten; aan de voet van de scheepshelling draait hij zich om.

‘De Zeger is weer actief,’ zegt hij op de man af. Er zit een triller in zijn stem.

Schuurmans slaat een hand voor zijn mond. ‘Weet je het zeker?’

‘Onze Oege kan nog lang niet op voor zijn examen Stuurman Derdeklas, maar ogen in zijn harses hebt ie wel. ’

Schuurmans grijpt in zijn haar en wendt zich jammerend af. Van Dorp gebiedt ons met een hoofdbeweging naderbij.

‘Laten we ‘t erop houden dat de Zeger niet het meest innemende lid van zijn familie is,’ zegt hij samenzweerderig. ‘Wat de snorder is in de taxiwereld, dat is de Zeger binnen hun gelederen. Een echte sluipmoordenaar. Weet je wat: ga lekker naar huis. Vergeet die boot. Voor iedereen het beste, OK?!’

Eer hij weg kan lopen maak ik me breed. ‘Voor mij alleen niet.’

Zonder ook maar te aarzelen grijpt Van Dorp me bij mijn jasje. ‘Voor jou niet, etterbak?’ Hij draait zijn vuist. Ik ervaar de brute kracht. Als ik zijn pols pak, laat hij los. ‘Wat kan ‘t mij eigenlijk schelen. Doe wat je niet laten kunt.’

‘Waar moeten we zijn?’

‘Hier schuin tegenover. In Noord. Eerste of tweede inham voorbij de pont. Eén ding nog: spreek die gast in geen geval tegen, OK. Nou, het ga je goed.’

Over de auteur

- (1954) realiseerde een tiental toneelstukken en filmscenario’s. In 1995 verscheen bij Veen zijn debuutbundel Het slinkende papier. Later volgden de roman Passage (Veen, 2000) en een als ‘vrije oefening’ omschreven werk van autobiografische fictie, De cultus van het Lijden (De Arbeiderspers, 2006). In 2010 verscheen de roman Grand mal (De Arbeiderspers). In november 2012 verscheen bij het balanseer zijn poëzie onder de titel Schedelmoer & maatpak.