Gepubliceerd op: maandag 16 april 2012

Hard draaien met je muis – Yra van Dijk

Gedichten op het scherm hebben veel wat papieren gedichten niet hebben: beweging, beeld, geluid en interactiviteit. Yra van Dijk (universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de UvA) verkent deze nieuwe ‘digitale poëzie’. Deze column verscheen eerder in poëzietijdschrift Awater.

Waarom zou je een gedicht willen laten bewegen? En waarom zou je er beeld aan willen toevoegen of geluid? Is de spanning van de zwarte woorden, gerangschikt in het wit, niet genoeg om over te brengen wat je te zeggen hebt? En verliezen de woorden hun kracht niet juist met al dat digitale gegoochel?

Sceptici zijn er genoeg over deze ‘elektronische poëzie’, poëzie die bedoeld is om op de computer te lezen.  Aan de andere kant van het spectrum zijn er veel idolaten – zij menen dat elektronische gedichten alles doen waar poëzie al minstens een eeuw naartoe op weg was – het in elkaar over laten vloeien van vorm en inhoud vooral. Dit is waar Paul van Ostaijen en Apollinaire van droomden, vinden de bewonderaars. Je kan de woorden nu immers echt over het scherm laten stromen in een vers dat ‘Het regent’  heet, of een paukenslag daadwerkelijk laten horen in je gedicht.

Om een middenweg te bewandelen tussen deze twee posities, en om elektronische poëzie recht te doen, moeten we het als een heel nieuw genre zien, waarin nieuwe dingen kunnen. Dus probeer, voor de duur van dit stuk, uw idee van een gedicht los te laten, en kijk ook vooral even mee naar de voorbeelden.

Elektronische poëzie speelt zich af in de tijd. In plaats van statisch op de pagina te staan, is het een uitvoering. Net als vroeger eigenlijk, toen gedichten werden voorgedragen. Dat temporele maakt dat letters op het scherm kunnen verschijnen en verdwijnen, en dat doen ze dan ook vaak in digitale gedichten, die daardoor vaak over vormen van verdwijnen en uitwissen gaan.

Gaten in het geheugen bijvoorbeeld, kunnen mooi worden uitgedrukt in digitale literatuur. Tonnus Oosterhoff, met zijn belangstelling voor afasie en voor andere vormen van cognitieve ‘gaten’ in het menselijk bewustzijn, doet dat graag in zijn werk. De fragmentatie en het tempo van de spraak van de bejaarde Theo Tukker in het gedicht ‘Wat moet ik ervan zeggen’ zou zich maar moeilijk op papier laten uitdrukken. Hier is het dus inderdaad het samengaan van vorm en inhoud waardoor het werk overtuigt. Tukker staat helaas nu niet online (naar verluidt werkt Oosterhoff aan een online archief van zijn werk). Wel kunt u luisteren naar ‘Na de vooruitgang’,  een (quasi)-documentaire opname van een stem die vertelt, ditmaal iemand die langs de wegen zwerft: http://www.tonnusoosterhoff.nl/.

Dat herinneringen gefragmenteerd zijn, en komen en gaan, is het onderwerp van veel digitale dichters. David Knoebels werk ‘Heart Pole’ is ook een voorbeeld, waarin herinneringen zo zijn beschreven dat je er als lezer haast niet ‘bij’  kan. (home.ptd.net/~clkpoet/htpl/index.html) Je leest nog net de Proustiaanse opening, ‘I remember a dimly lit bedroom’, voor de tekst weer uit beeld draait, waarna je heel hard moet proberen met je muis om de tekst zo te draaien tot hij weer leesbaar is. Het effect is de frustratie die hoort bij halve herinneringen die weer wegglippen uit je bereik.

Desalniettemin zijn het die herinneringen waaruit onze identiteit is opgebouwd. Zoals Rozalie Hirs laat zien in het mooie bewegende gedicht ‘Stamboom’, (http://collection.eliterature.org/2/works/hirs_familytree.html) worden wij van jongs af aan gevormd door onze herinneringen en de verhalen die rond ons zweven – verhalen waarvan we maar een fractie opvangen, begrijpen en onthouden. Wat elektronische poëzie kan, is dat vlietende vlietende houden.

Over de auteur

- Tijdschrift van De poëzieclub