Gepubliceerd op: maandag 21 maart 2011

Een hernieuwde vrijheid voor het literaire tijdschrift – een antwoord op de CeLT-lezing van Jos Geysels

– door Xavier Roelens (hoofdredacteur Kluger Hans)

‘Wie leest die dingen nog?’

Het was een klein maar fijn publiek dat op zondag 6 maart naar de CeLT-lezing kwam luisteren op Mind The Book. Van de vijfduizend bezoekers aan de alternatieve boekenbeurs in De Singel in Antwerpen raakten er toch een dertigtal tot in de blauwe foyer: redacteurs van culturele en literaire tijdschriften, twee journalisten die in opdracht van de mediasponsor verslag zouden uitbrengen, de drie genomineerden voor de Prijs van het beste tijdschriftartikel met hun lief of intieme vriendenkring en op mijn laatste handje telde ik ook nog enkele oprecht geïnteresseerden in het thema: literaire tijdschriften.

Het was nochtans niet de minste die kwam spreken. Net zoals koning Albert II recent enkele keren ministers van Staat heeft ontboden, de terugtocht van Wilfried Martens uit Disneyland ligt nog vers in het geheugen, om de politieke impasse te helpen ontmijnen, had ook CeLT, de belangenorganisatie voor Culturele en Literaire Tijdschriften, een minister van Staat opgetrommeld om de problematische situatie waar de literaire tijdschriften zich blijkbaar in bevinden, te helpen deblokkeren. Jos Geysels, Ex-Agalev’er en huidig voorzitter van het Vlaams Fonds voor de Letteren, stelt vast dat ‘sommigen zich af[vragen] of ze nog wel een bestaansreden hebben’ en zonder zich daar zelf al te direct over te willen uitspreken, pikt hij toch een aspect uit de discussie eruit:  Veel van de discussies gaan over het bereik (‘Wie leest die dingen nog?’, behalve de grijzer wordende cultureel actieve man), de vorm (gedrukt of niet) en de eventuele relatie tussen beide. Daarover wil ik het wel hebben. En wel een positie innemen.
Uit het bos van misschiens1 duikt niettemin een duidelijke keuze voor efficiency op. Geysels vraagt zich luidop af of de literaire tijdschriften niet een groter bereik aan een lagere kost kunnen koppelen door bijdragen enkel online te publiceren in plaats van op papier. Voor de liefhebbers van papier zou Geysels een hernieuwde vorm van het Nieuw Wereldtijdschrift van wijlen Herman De Coninck boven de doopvont houden. Dat tijdschrift zou dan, veronderstel ik, met veel bombarie in de markt gezet worden en als een Vlaamse tegenhanger van Hollands Diep als glossy overal verspreid worden.

Geysels kiest kortom voor de neoliberale karikatuur die zegt dat iets beter wordt als er maar op efficiëntie wordt gemikt. Ik hoef hier geen desastreuze voorbeelden van de efficiëntiekwaal te geven uit de banken-, ziekenhuis- of bejaardensector, de geïnteresseerde lezer kan voor een helder relaas hierover terecht bij bijvoorbeeld De utopie van de vrije markt van Hans Achterhuis. Dirk Van Bastelaere leverde bovendien al twee jaar geleden een meer onderbouwde neoliberale visie op de literaire tijdschriften, waarin hij net het belang van competitiviteit verdedigt. Mijn eigen pleidooi wil subsidies verzoenen met een vorm van competitiviteit, maar voor ik daaraan toe ben, moet ik eerst nog wat dieper op Geysels’ tekst ingaan.

Een literair tijdschrift is geen frietkot

Ministers van Staat bewijzen jammer genoeg te weinig op de hoogte te zijn van de waan van de dag om ondanks hun goede bedoelingen  met vruchtbare ideeën af te komen. Zo maakt Geysels niet duidelijk hoe zijn glossy-droom aan zijn inhoud zal komen. Dacht hij misschien als een naïeve voetbalfan dat hij de beste artikels uit de bestaande tijdschriften zou kunnen verzamelen en zo het beste tijdschriftenteam zou kunnen vormen? Wil hij aan de ene kant alle bestaande literaire restaurants  met hun voorkeuren in proza, poëzie en essayistiek, in buitenlandse of Nederlandstalige literatuur, in klassieke of gedurfde vormgeving, in bekende namen of debutanten samenwurmen in enkele frietkoten op het marktplein, om daarnaast een driesterrenrestaurant op te richten met een Italiaans, een Indisch, een veganistisch en een aardappelrecept, maar zonder eigen ziel of gezicht? Dat zou de dood betekenen van alle tijdschriften.

Of misschien zal Geysels enkele redacteurs uit zijn hoed toveren, of wegplukken bij de bestaande literaire tijdschriften, of zoeken in de recente ontslagengolf onder journalisten. In ieder geval zal er voor een nieuw NWT meer nodig zijn dan enkel wat drukkosten. Alleen al daarom2 lijkt het voorstel van Geysels me niet haalbaar.

Geysels maakt de fout dat hij enkel naar het afgewerkte product kijkt: naar het papieren ding dat in de boekhandels ligt en een enkele keer ook nog in een bibliotheek. Hij houdt geen enkele rekening met het ontstaansproces, de mankracht die een literair tijdschrift mogelijk maakt en de vele discussies die nodig zijn om de lat van de kwaliteit zo hoog mogelijk te leggen. Want dat er kwaliteit aanwezig is onder de literaire tijdschriften, valt niet te ontkennen.

Het keurslijf van het Fonds

Maar krijgen we die kwaliteit voldoende verkocht? Het is een frustratie als tijdschriftenmaker dat al die literatuur die je zelf zo goed en belangrijk vindt, enkel door een klein maar fijn publiek gelezen wordt. Misschien, hopelijk wordt er nu en dan iets opgepikt, een buitenlandse auteur of een jonge schrijver die later bij een uitgeverij kan debuteren bijvoorbeeld. Of een essay dat becommentarieerd of geciteerd wordt. Maar er is veel enthousiasme nodig  en afgaande op de reacties wanneer ik zei dat ik een nieuw literair tijdschrift wou opstarten, ook veel moed en durf  om nu nog een literair tijdschrift te maken. Er gaapt een kloof tussen het plezier van het inhoudelijke werk en het bereik dat dit oplevert. Dat besef ik. Net zoals ik ook besef dat ik tot de laatste generatie behoor die niet opgegroeid is met het internet maar voor wie internet wel een belangrijk deel van het leven is en tegelijk ook het boek nog koestert. En misschien behoor ik daarom ook tot de laatste generatie die zich aan het maken van een tijdschrift waagt. De volgende generatie organiseert zich heel anders en het is maar de vraag of een vorm als het tijdschrift in die toekomstige maatschappij een plaats zal hebben.

Maar voor we dan maar om vernieuwing beginnen te kreten, zou ik iedereen willen aanraden om het reglement voor de literaire tijdschriften van het VFL grondig te bekijken. Lees het aandachtig. Let op de hele rij formele voorwaarden. Eerlijk gezegd: het doet me denken aan het eerste Vlaamse bibliotheekreglement uit 1978 waarin onder andere de hoogte van de rekken, de afstand tussen de rekken, het aantal schappen per rek, enzovoort in vastgelegd werd. Omdat we kwamen uit een wildgroei aan plaatselijke privébibliotheken was het nodig om een uniformisering door te voeren, maar na twintig jaar had men door dat bibliothecarissen meer waren dan meetlatten en werd in een nieuw bibliotheekreglement weer de verantwoordelijkheid bij die bibliothecaris gelegd. Hij kreeg de kans om een eigen visie uit te bouwen, eigen accenten te leggen in de uitbouw van zijn huis.

De literaire tijdschriften hebben tot op vandaag hun inhoudelijke eigenheid. Maar het verontrust me wel dat je bijvoorbeeld DWB, Zacht Lawijd, nY en De brakke hond zo gemakkelijk kan stapelen. Ze zijn perfect hetzelfde formaat en was het niet van de afwijkende cover, iemand zou zich gemakkelijk kunnen vergissen. Allemaal zijn ze gelijmd, allemaal proberen ze er een beetje goed uit te zien (aan 4 euro per bladzijde) in een gemakkelijk lettertype, allemaal werken ze met kleur op de cover en in zwartwit binnenin. Waarom? Omdat dat de berekeningsbasis is voor het Vlaams Fonds voor de Letteren.

Mijn angst is dat het het reglement van het VFL zelf is dat de tijdschriften in een patstelling plaatst. Tien jaar geleden zijn de formele criteria ingevoerd om enigszins het kaf van het koren te kunnen scheiden. Mooi vormgegeven tijdschriften zoals facture baroque zijn bij gebrek aan abonnees moeten stoppen. Alleen de sterke merken bleven over, maar zijn tegelijk ook in een keurslijf gekropen. Omdat ze afhankelijk zijn van hun subsidies om te overleven. Omdat ze op die manier het beste hun financiën kunnen inschatten. Misschien ook wel omdat ze vooral mikken op een sterke inhoudelijke redactie en de vorm van secundair belang vinden en daarom zelfs blij zijn met die richtlijnen.

Maar de andere kant van de medaille is dat je als gesubsidieerd tijdschrift de boot van de vernieuwing mist. Er zijn het laatste decennium een heleboel nieuwe multimediale mogelijkheden ontstaan. We hebben die discussies ook bij de oprichting van Kluger Hans gevoerd. We brainstormden erover en ik dacht dan stilletjes in mijn achterhoofd: zoals Revolver in zijn beginjaren al deed, om elk nummer in een andere vorm te maken: een actie op facebook, gevolgd door een dvd, gevolgd door een papieren perkamentenrol, enz. met ‘Kluger Hans-fans’ als roepnaam in plaats van het veel belegener ‘abonnee’. We zouden maar drie nummers uitbrengen, zodat we ook een sterk onlineverhaal kunnen uitbouwen. Maar telkens moest ik de discussie afremmen met de opmerking:  ‘Dan zijn we wel onze subsidies kwijt. Het Fonds verwacht van ons 4 papieren nummers.’ Het Fonds biedt wel de mogelijkheid om online-activiteiten te ontwikkelen. Maar dat is bovenop de energie die er al naar vier nummers per jaar moet en dat maakt het alleen maar zwaarder.

Ook laat het Fonds geen opening om bijvoorbeeld via Printing on Demand te werken, wat eigenlijk voor lage oplages de ideale oplossing is om de kosten te drukken. Zeker voor tijdschriften die de vormgeving van secundair belang vinden zou dit een oplossing kunnen zijn. Maar het fonds legt een minimumoplage van 500 exemplaren op. Dus wijkt men daar niet van af, krasselt men om ze verkocht te krijgen en stapelt men de onverkochte dozen op in een garage. Catch 22.

De knuppel in het hoenderhok

Misschien. Misschien is het gevaarlijk om onze nek uit te steken. Alle andere literaire tijdschriften zijn tot 2014 verzekerd van hun basissubsidie, maar Kluger Hans niet. Wij hebben als nieuw tijdschrift3 twee jaar lang een startsubsidie gekregen en hebben dit jaar voor het eerst een volwaardige subsidie aangevraagd. We zullen dat de volgende drie jaar telkens opnieuw moeten doen, voor we een echte basissubsidie voor 4 jaar kunnen krijgen. Als we eind april niet onze subsidie kwijt zijn tenminste. Want dan eindigt het verhaal van Kluger Hans.

Kortom, wij hebben het meeste te verliezen met onze nek uit te steken. Maar aangezien de lezing van Jos Geysels bij de andere literaire tijdschriften geen directe publieke reacties losweekt ( hier niet, hier evenmin, hier spreken ze enkel over de wedstrijd, hier zijn ze heel toepasselijk twee jaar achter, hier volgt binnen vijf jaar waarschijnlijk de meta-analyse, neen, zelfs hier zwijgt men als vermoord) moet er iemand de knuppel in het hoenderhok gooien. Misschien zijn andere tijdschriften verstard in hun sterk merk. Ik vind in elk geval niet dat we onze kop in het zand kunnen blijven steken.

Want ik volg Geysels wel wanneer hij de productiekosten in vraag stelt. Het zou me veel logischer lijken dat de tijdschriften weer de vrijheid krijgen om er desnoods wat goedkoper uit te zien (en te zijn), om niet meer aan de hand te moeten lopen van de formele regeltjes. Een tijdschrift is geen product, maar is een redactie met een visie en een inbreng in het literaire landschap. Het Fonds moet een redactie durven honoreren in plaats van het eindproduct te reguleren. Of in fondstermen: beschouw de subsidie meer als een werkbeurs en minder als een productiesubsidie.

Om toch nog even man en paard te noemen4: al enkele jaren krijgt Deus ex Machina lovende kritieken van de tijdschriftencommissie. Toch is hun subsidie nauwelijks gestegen. Daar zijn redenen voor, maar in het systeem dat ik voorstel zou zo’n verslag een veel grotere impact krijgen op de toegekende subsidie en zou dus Deus ex Machina een grotere brok mogen krijgen. Op die manier zullen tijdschriften ook een noodzaak voelen om kwaliteit (en innovatie door bijvoorbeeld rond onlinetoepassingen te werken) af te leveren en zullen ze zich ook erkend voelen wanneer ze op basis van goed werk en een goed dossier ‘loon naar werken’ krijgen.

En het bereik?

Wel, laat dat bereik een van de criteria zijn om de hoogte van de subsidie te bepalen. Maar giet het niet in een alles-of-nietsregel. Vanaf 2014, of zelfs nog vroeger.


1 Geysels zegt zelf aan het begin van zijn tekst dat hij vaak het woord ‘misschien’ zal gebruiken ‘[d]eels uit onzekerheid, deels uit behoedzaamheid.’
2 En ook omdat online werken je voor een aantal technische eisen, maar eveneens uitdagingen stelt die je niet mag onderschatten. Internet is meer dan gewoon de pdf die anders naar de drukker vertrekt, online plaatsen. Op internet geldt een andere leesmentaliteit (met liever kortere teksten) en internet biedt ook mogelijkheid om met audio, video, flash, enz. te werken. Het zou zonde zijn als je dat als literaire site niet inzet. Aan online vormgeving hangt echter een kostenplaatje dat gemakkelijk de prijs van papier overstijgt.
3 Genegeerd worden is trouwens ook een frustratie. Als Jos Geysels in zijn lezing vermeldt dat er in 2010 drie literaire tijdschriften gestopt zijn, vergeet hij te melden dat er ook 1 nieuw tijdschrift bij gekomen is. Hij is niet de enige, het is alsof er alleen maar onheilstijdingen over literaire tijdschriften de wereld ingestuurd mogen worden.
4 Ook al kregen we in ons eerste verslag van de tijdschriftencommissie kritiek op het feit dat we in een inleiding andere tijdschriften hadden genoemd om ons tegen af te zetten (tijdschriften die bovendien zelf in het verleden in besmuikte termen elkaar hekelden), toch vind ik dat het een tijdschrift met de naam van een paard betaamt om wanneer nodig iemand bij naam te noemen.

Over de auteur