Gepubliceerd op: donderdag 24 juni 2010

Kwakzalven aan de rafelranden van onze beschaving – interview met Toine Klaassen

– door Miek Zwamborn

Toine Klaassen (Eindhoven, 1973) werkt sinds zijn afstuderen aan de Gerrit Rietveld Academie in Rotterdam waar hij zijn atelier en opslag heeft onder het spoor. De aftandse ruimte biedt onderdak aan een zestal kunstenaars die niet terugschrikken voor kou en ratten. Het is een plek die door de boogvormige plafonds doet denken aan een middeleeuwse kerker, even donker en koud. Via een gat in de muur, afgeschermd met een dikke laag paardendekens tegen de tocht, word ik de studio binnengeloodst. De ruimte is tot de nok toe gevuld met spullen die Klaassen van de vuilnisbelt heeft gered of jutte langs de Maas waar veel van zijn materialen als oude voetballen en wrakhout aanspoelen. De duizenden objecten worden in stellingkasten gerangschikt op vorm of kleur. Het is een feest voor het oog, Klaassens studio is als het nest van een ekster, maar zijn voorliefde gaat veel verder dan een paar glimmende kettingen. Lege plastic flessen zonnebloemolie met gele dop staan tussen de losse ledematen van paspoppen, zandlopers, gesealde makrelen, dieren op sterk water, kisten met eieren, dobbers en toverballen.

Voordat Klaassen naar de academie ging wijdde hij zich aan de chemie. Zijn wetenschappelijke achtergrond vormt de basis van zijn Laboratorium voor hedendaagse archeologie, waaronder hij al zijn projecten schaart. Klaassen vraagt aandacht voor de poëzie van het onooglijke, het kleine en het veronachtzaamde. Zonder vooropgezet plan gaat hij met de weggegooide voorwerpen aan de slag. Zijn werk ontstaat vaak temidden van het publiek in een performatieve setting, waarbij hij het absurdistische niet schuwt. Of zoals Klaassen zelf stelt: “Als je een vlinder met je handen vangt, gaat het poeder van zijn vleugels af en blijft er een vodje over”.

Temidden van de schijnbare chaos monteert Klaassen in een uitvergrote Chiquitadoos die, voorzien van glazen vensters, dienst doet als mini bouwkeet annex kantoor de films die hij in de aanloop naar en tijdens zijn performances maakt. Deze films laten niet alleen de totstandkoming zien, maar tonen zijn bezwerende handelingen van binnnenuit. De camera wisselt tussen overzichtbeeld, zoom en het vogelvluchtperspectief dat Klaassen tijdens de sessie zelf heeft. De wonderlijke composities tonen Klaassens struinende blik en nodigen de kijker uit zijn universum binnen te treden.

In Kluger Hans #06 publiceren we beelden van performances die Klaassen op locatie initieerde. Temidden van zijn kleurrijke verzamelingen spreek ik met hem over deze werken.

Feel fine feel pure

“Gehuld in indianentooi en gekoppeld aan een gasmasker sta ik tussen twee witte gasflessen in de berm van de N242. Ik ben door mijn uitrusting afgeschermd van het verkeer dat aan mij voorbijraast, terwijl ik zachtjes ‘feel fine, feel pure’ zing met haangekraai op de achtergrond. Ik verzet me tegen de jachtigheid en het kapitaal van mijn medemens, het gaat over de nachtmerrie van de westerling, de primitieve als demoon uit de toekomst, over hoe hij de verwoeste klimaten op aarde die hij heeft aangericht kan trotseren, visionair gezien zal de westerling sterven en de autenthieke bewoner van de aarde terugkeren ofwel de balans wordt opgemaakt etc.”
In het zelfde indianenpak maar dan zonder gasflessen wandelde Klaassen twee jaar daarvoor ook naar de Mac Donalds waar hij zijn hamburger betaalde met schelpen. Zijn verschijning is enerzijds absurd maar boezemt anderzijds ook angst in. Hij lijkt de bestuurders te willen waarschuwen voor de schade die zij aanrichten. Ondertussen viert hij in totemachtige beelden opgebouwd uit verzamelde wieldoppen ook de blingbling van het materialisme. Het is een tegenstelling die vaak in zijn projecten opduikt. Met de afgedankte troep van de wereld probeert hij diezelfde wereld onderuit te halen. Aan definitieve ingrepen heeft Klaassen geen boodschap. Bij hem is altijd alles in beweging. Hij laadt zijn installaties op aan het moment, veel onderdelen keren in een andere hoedanigheid weer terug.

Birdshapedbirdhouse

Klaassen: “Ik zie mijn verzamelingen als koraalriffen. Zodra ik er een tijdje vandaan ben, moet het rif nieuw leven ingeblazen worden. Ik probeer niet te veel te koesteren en er steeds weer de riek in te zetten.”
Birdshapedbirdhouse is zo’n installatie die in de loop van de jaren uitgroeide tot een hedendaags rariteitenkabinet waarvan bezoekers via patrijspoorten en spiegels een glimp kunnen opvangen. Door in zijn werk delen toegankelijk te houden en andere delen af te schermen weet Klaassen steeds de magie van het geziene en het verborgene op de spits te drijven. Vanuit zijn toren lokt hij met zijn getinkel van bestek dat en als versiering dient en als geluid wordt ingezet, de toeschouwers naar zijn installatie toe. Eenmaal binnen handbereik deelt hij snoep uit, of gooit een haffel lege mosselschelpen naar hen toe die de onoplettende nieuwsgierigen ook al knasperend onder hun schoenen hebben verpletterd.

“De soms wat ruwe omgang met het publiek door dingen naar ze te gooien, bijvoorbeeld apennoten om ze van het apenkijken weg te houden, heeft het opwekken van een minder vanzelfsprekende spanningsboog, concentratie of beleving of toenadering van het zich voltrekkende tot doel. De mensen worden dan als het ware door een voor hun bekende eerste laag van de manier waarop je werk kan benaderen of beleven heen geloodst. Vanzelfsprekendheden dienen hoe dan ook op de proef te worden gesteld.” Zo liet Klaassen in de Stekelbaarsjestunnel bijvoorbeeld alleen vrouwen toe en moesten hun mannen buiten wachten.

“De Babylonische grenssteen en de steen van Rosetta waren het vertrekpunt van de zeer complexe installatie Babylonië die ik samen met Mathijs Lieshout in Rotterdam bouwde, waarin controle en toeval elkaar afwisselen (paradox include).” In een gigantisch skelet van dunne vurenhouten latten waaronder de bodem bezaaid was met uitgescheurde bladzijdes uit de Gouden Gids zien we Klaassen rondbanjeren. Hij heeft zijn witte laboratoriumjas aan en knipt een masker dat hij even later voorbindt. Op de grond temidden van de propaganda ligt een vrouw badend in mosselen en geld, zij is gedeeltelijk in klei gepakt en houdt een blauwgeschilderd hart vast. Klaassen: “De rat was naarstig op zoek naar de juiste chemie om een vrouw een staart te bezorgen.” Zo eenvoudig kan het zijn. Als toeschouwer probeer ik verbanden te leggen tussen de ruimte en de handelingen van het dier. En hoe langer ik kijk, hoe meer linken er te leggen zijn. Wat er precies gebeurt tussen de vrouw en de rat blijft ongewis, maar beiden zijn zo verzonken in het verhaal dat ik me begin af te vragen hoe zij straks uit deze trance zullen ontwaken.

Stroper II

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sommige kostuums uit performances krijgen na verloop van tijd een autonome status. Zo staan er een aantal wachters in Klaassens studio die namen dragen als Bestekridder en Stroper II. Mooi aan deze beelden is dat ze de verzamelingen hebben geabsorbeerd. Ze lijken tijdens hun verblijf in de studio zelf studio geworden, zoals kokerjuffers die hun behuizing samenstellen van de steentjes en schelpen uit de rivier waarin zij leven.
Stroper II is behangen met gebroken autospiegels, verweerde vlaggen, vuurpijlen, kokkels en kralen. Het gegasmaskerde gezicht gaat schuil onder een hoge hoed van zilver isolatiemateriaal waardoor het beeld aan een tovenaar doet denken. “Hoe dunner het membraan tussen de artificiële wereld en de werkelijkheid hoe dichter je aan de reeële wereld raakt. Ik probeer de werkelijkheid af te pellen zodat het wezenlijke van de dingen overblijft.”

Als bezoeker is het een verademing om door het parcours van spullen te mogen dwalen. De ruimtes zijn van een wanorde en patina die uit onze Europese realiteit verdwenen is. In het werk van Klaassen krijgt elk voorwerp, hoe stoffig ook, weer bestaansrecht. Zo wordt de stapel afgedankte tuinmeubel-matrassen en kussens boven op een van de stellingkasten door de verschillende motieven en verbleekte kleuren van een verontrustende en ontroerende pracht, omdat de spullen nog zo vervuld zijn van leven, hun geschiedenis aan de oppervlakte komt. Het is een gul gebaar die van de wegwerpmaatschappij een grote schatkist maakt.

Toine Klaassen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kantoor

 

Over de auteur