Gepubliceerd op: zaterdag 6 juli 2019

R27: Het Nieuwe Jeruzalem (einde)

 

Midden op het plein, staande voor het mieregat dat de toegang voorstelde en zijn gezicht opheffend naar een uitspringend brok steen, hoger dan de rest en met diverse kanteelachtige piekjes bekroond, waarin Scherpende reeds de omtrekken van een nieuw stadhuis meende te mogen begroeten, barstte de pastoorsvogel los in een kakofonie van lof, prijs en dank.
‘Het is geschied gelijk ik gezegd heb’, riep hij terwijl tranen zo groot als druiven over zijn wangen rolden, ‘het Hout is in het vuur geworpen. De zeeën hebben het bedekt van voor mijn aangezicht. Alle dingen zijn nieuw geworden! Een grote en hoge berg! De allerkostelijkste gesteenten, jaspis blinkend gelijk kristal, chrysoliet, beryl, sardius, topaas, hyacint, ametist! De stad Davids! De berg Sions! En in haar zal niet inkomen iets dat verontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt maar die geschreven zijn in het boek des Levens des Lams. Voorwaar, het Nieuwe Jeruzalem! De Stad Gods!’
‘Amen’ zei de timmerman, zijn handen vouwend en om zich heen turend. Hij was niet zozeer geïmponeerd door het wonder als wel door de mogelijkheden die eruit voortvloeiden voor hem. Hij erkende dat de pastoorsvogel zijn steentje bijgedragen had tot de wederopbouw. De pastoorsvogel, het was waar, had de hemel bewerkt met zijn gebeden en preken, maar, en dat woog bij de timmerman zwaarder, hij had het vuile werk opgeknapt. De pastoorsvogel sliep de helft van de tijd. Scherpende had gewerkt. Voedsel gevangen, gesels gemaakt, de wacht gehouden toen alles waanzinnig werd, het hol gestut met hout dat de pastoorsvogel voor geen goud had willen aanraken en dat hen het leven gered had; hij had graveerwerk en metingen verricht, de vloer van de katedraal geëgaliseerd, centimeter voor centimeter overkropen, en, last but not least, een gat gekapt in de bevroren deurloze tempel.
‘Amen ja amen’ galmde de pastoorsvogel. Hij galmde niet. De echo ontbrak. Hij kraste gewoon weer. Zijn gekras werd uit de rotsen die de katedraal omringden beantwoord met verwarde flarden van geroep en geschreeuw. Uit de zwarte grotmonden doken op diverse plaatsen vreemde donkere gedaanten op, die, diepe buigingen makend, bleven staan en verward met elkaar diskussiëerden. Er waren tot Scherpendes vreugde ettelijke kinderen bij.
Hij holde de kerk binnen, dook weg in het mangat en kwam terug met de laatste geselzweep waarvan de pastoorsvogel zich bij zijn zelfkastijdingen bediend had.

—-
Lees het volledige hoofdstuk online op dbnl.

 

Over de auteur

Jeroen van den Heuvel

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.