Gepubliceerd op: maandag 29 april 2019

EI 157: Mischa Andriessen – In de tuinen

 

Hij zag de ijsvogel het eerst
Zei niets tot zij hem had gezien
Wees en zei een paradijsvogel
Kijk daarginds bij die haag
Ze kwamen naderbij maar het beest verdween
Op een rood kleed lagen ze
Hij de handen onder het hoofd
Zij bovenop de rok net wat omhoog
Bewoog ze zachttraag als wilde zij
Doen lijken dat wat zij zagen
Louter was wat ze hoopten te zien
Toen merkte hij dat zij zich had afgekeerd
Hem aankeek of ook zij een herinnering
Wilde wekken haar terugbrengen
Hoe zou dat vergeten denkbaar zijn
Dacht hij stak zijn hand uit als wilde hij
Haar rok rechttrekken haar aanraken
Waar ze dat eerder maar trok zijn hand weg
Wees omhoog naar de wolken en zei
Het wordt tijd

____
De titel van het gedicht wekt – ook vanwege zijn meervoudsvorm – de gedachte op aan diepere betekenislagen. ‘Tuin’ heeft een religieuze, literaire en psychologische connotatie. Religieus omdat ‘tuin’ verwijst naar de Hof van Eden. Literair omdat ‘tuin’ opgevat kan worden als een topos, als een locus amoenus, een lieflijk toevluchtsoord voor zowel geliefden als gekwelden. Tuin kan tenslotte ook in psychologisch opzicht geduid worden als decor om verlangens te sublimeren.

In het gedicht is sprake van twee personen, een man en een vrouw. Ze worden door een onzichtbare persoon – een fictieve verteller – al sprekende ingevoerd. Deze verteller heeft iets te zeggen over die man en vrouw. In de vertelkunst of narratologie spreken we dan van een personale vertelinstantie. Een vertelperspectief waarbij het verhaal – hier het gedicht – in de 3e persoon staat. Een kenmerk van deze vertelinstantie is dat de onzichtbare verteller gemakkelijk kan worden geïdentificeerd met een van de personen over wie hij vertelt. In dit gedicht lijkt het erop dat de vertelinstantie, de fictieve verteller dus, de man in het gedicht is. Hij is de hoofdpersoon. Verander de derde persoon hij maar eens in de eerste persoon ik.

Man en vrouw liggen beiden op een kleed in het gras. Er wordt niet gesproken. De man ziet verderop een ijsvogel. Hij wil de stilte niet verbreken en wacht tot de vrouw naast hem de vogel ook opmerkt. Zij noemt de ijsvogel – neergestreken bij een haag – paradijsvogel, een kleurrijke, exotische vogel die in onze streken niet voorkomt, een vogel die elders vertoeft. Dit elders vertoeven heeft hier een signaalfunctie. De ijsvogel, eveneens begiftigd met een kleurrijke vederdracht, doet qua naam denken aan kou en vorst. De paradijsvogel daarentegen aan zon, warmte en geluk. Is dat wat de vrouw zoekt en is dat de reden waarom zij de ijsvogel paradijsvogel noemt? Samen naderen ze de haag maar de vogel is dan al gevlogen. Natuurlijk, een vogel wacht nu eenmaal niet. Hij is alweer elders. Is de vogel voor de man en de vrouw misschien een metafoor? Zoeken zij iets, wat soms opdoemt – hier als een vogel – maar wat onbereikbaar, ongrijpbaar is?

Vanaf v6 keert de handeling weer terug naar het kleed waarop zij beiden liggen. Een rood kleed. Rood is een signaalkleur; enerzijds drukt het gevaar uit en anderzijds is rood de kleur van de liefde. In de katholieke liturgie is rood bovendien de kleur van het lijden, het martelaarschap. Zo is op Goede Vrijdag het kazuifel van de priester altijd rood. Is het rode kleed soms een omen? Een verwijzing naar een mogelijk lijden van de man en de vrouw, die naarmate het gedicht vordert steeds meer een echtpaar blijken te zijn.

De personale vertelinstantie laat de man gissen naar de gedachten van de vrouw, zijn vrouw. Was dat, wat zij zag bij de haag, een herinnering aan iets …? Een stille hoop op …? Een terugverlangen naar …? Hierop komt geen antwoord. Dan vindt er vanaf v12 een ommekeer plaats. De man kijkt naar zijn vrouw, zo nabij en toch zo veraf. Zij geniet niet, zij toeft elders met haar gedachten. Zij mijmert zich van hem af. Toch kijkt ze hem aan alsof ze hem wil meevoeren naar iets wat hen beiden bindt en kwelt.

Het gedicht heeft iets dreigends wat steeds opduikt: het zwijgen van man en vrouw in v2; de vlucht van de vogel, v5; het rood van het kleed in v6 en het wijzen naar de wolken in v20. Man en vrouw zijn op elkaar aangewezen. Zij delen samen een herinnering, een voorval waaronder beiden gebukt gaan. De vrouw kan geen aanraking verdragen. Zij kan het niet maar wil het ook niet. Het gedicht straalt in zijn diepste kern verdriet uit om een niet nader genoemd gemis. De partners lijken elkaar daarbij niet te kunnen te troosten. Hun gedachten malen rond, ze praten niet echt met elkaar maar zitten vast in de maalstroom van hun eigen gedachten en herinneringen.

Er is geen uitweg, ze zitten als het ware in een labyrint waar ze niet uitkomen. Wat dat betreft ondersteunt de vorm van het gedicht in zekere zin die wirwar van paden, waarin ze – zoals insecten in een web – gevangen zitten. Er is geen interpunctie, de versregels lopen maar door. Het gaat om open plekken in zinnen, zoals in v16-18:

[hij] stak zijn hand uit als wilde hij
Haar rok rechttrekken haar aanraken
Waar ze dat eerder maar trok zijn hand weg

Achter ‘eerder’ ontbreekt een vervolg. De lezer kan hier zelf iets invullen, bijvoorbeeld toeliet of aangenaam vond. Dan zijn er een- en tweewoordzinnen die karig zijn in het verstrekken van informatie, zoals ‘Zei niets’ (v2) en ‘Wees’ (v3). Vervolgens het gebruik van de apokoinou, een constructie waarin een zinsdeel dienst doet als onderdeel van twee zinnen of zinsdelen, zoals in v8-11. Het effect daarvan is een gevoel van verwarring en verdwaald zijn.

Zij bovenop de rok net wat omhoog
Bewoog ze zachttraag als wilde zij
Doen lijken dat wat zij zagen
Louter was wat ze hoopten te zien

Dat ‘louter’ in v11 heeft de functie van een bijwoord in de trant van enkel en alleen. Maar ‘louter’ kan ook nog een andere functie hebben. Het kan opgevat worden als naamwoordelijk deel van het gezegde in de betekenis van zuiverheid. Is datgene, wat hen samen bindt en waarnaar zij samen zoeken iets wat zuiver, ongerept en schuldloos is? Is het wellicht hun kind?

Nog voorbeeld van een apokoinou:

Zou dat vergeten denkbaar zijn
Dacht hij stak zijn hand uit als wilde hij

Ook valt het gebruik van anaforen op. Constructies die zich kenmerken door herhaling van steeds dezelfde woorden of woordgroepen. In dit geval de constructies waarbij steeds het subject hij of zij expliciet of impliciet wordt genoemd aan het begin van de zin. Het nadrukkelijk gebruik van deze persoonlijke voornaamwoorden hebben ook een zekere dreiging gemeen.

v1: Hij zag de ijsvogel …
v2: [Hij] Zei niets …
v3: [Zij] wees en [zij] zei
v7: Hij de handen onder het hoofd …
v8: Zij bovenop de
v10: [Zij] bewoog
v19: [Zij] Wees omhoog

De vorm van en de stijlfiguren in het gedicht dragen bij aan de verwijdering tussen de man en de vrouw. Zij ondersteunen de thematiek van het gedicht: de pijnlijke (zelf)kwelling van een dierbaar gemis. Vorm en stijlfiguren versterken het gevoel dat beiden – man en vrouw – in hun eigen gedachten zijn verdwaald en dat hun zoektocht tevergeefs is. Het toont hun onvermogen hun diepste gevoelens te uiten. Kortom, een gedicht waarin achter de woorden en de schijnbaar achteloze vorm een intens verdriet schuil gaat.

____

winterlaken

 

Winterlaken
Mischa Andriessen
Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN 9789403143903

 

 

 

 

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.