Gepubliceerd op: zaterdag 16 maart 2019

R11: Een spreektrompet met een uilebril (einde)

 

‘Wat ik zeg is de waarheid’ ging Evarist verder, zwaar ademend, nachtvlinders
wegspuwend die zijn mond binnen wilden fladderen, ‘ik heb het al eerder gezegd.
Tegen mezelf of tegen niemand. Wat maakt het uit. Nu weten jullie het ook. Lijken
misrekenen zich misschien maar de natuur vergist zich nooit. Noem het een wonder,
het doet er niet toe, als het kind een naam heeft wordt het wellicht minder gauw met
het mestwater weggegooid. Deze groei kan niet vernietigd worden!’
De menigte begon, door vleermuizen aangevallen, door muggen gestoken, uiteen
te vallen, te verdwijnen. Uit de oplossende gelederen ervan kwam het jongetje met
de trommel tevoorschijn. Het keek Evarist met grote stille ogen aan.
‘Is je boom een wonder? Net zoals bij de profeet Jonas?’ vroeg het toen.
Evarist keek op en ontdekte het kind.
‘Trommel maar es wat voor me’ zei hij, ‘trommel wat, ik houd van trommels,
onder de grond trommelt het ook’.
Het jongetje liet een roffeltje horen.
‘Is de boom een wonder?’ vroeg het daarna weer.
‘Zeker’ zei Evarist.
‘Ik zal het aan mijn moeder zeggen’ riep het jongetje opgetogen en holde, de
trommel in de hand, weg in de halve duisternis, om de paar sprongen een langgerekte
schrille kreet slakend die het snel nacht maakte nu.
Evarist keek onder de bladeren. De mannen met de zagen, bijlen en messen waren
er niet meer. Het was te donker geworden voor hun arbeid en morgen moesten ze
weer vroeg naar hun winkels en kantoren.
Evarist verbaasde zich, alweer.

—-
Lees het volledige hoofdstuk online op dbnl.

 

hel_trommel

 

About the Author

Jeroen van den Heuvel

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.